Zonder wind is er geen kwaad; Rogi Wieg over de worsteling met de jeugd

Rogi Wieg: Souffleurs van de duivel. Uitg. Van Oorschot, 248 blz. Prijs ƒ 35,-

In een van de tien verhalen uit Souffleurs van de duivel zit een jongeman van rond de dertig met een kind in een hotel te Boedapest. Het sneeuwt, de wind blaast langs het raam, en na een korte stilte stelt het kind een vraag, terloops.

“Wat doet de wind als hij niet waait?”

Het is zo'n zinnetje dat je op slag een suizelend gevoel van diepgang geeft, van alles dat met alles samenhangt, zonder dat je maar de flauwste notie hebt waar het op slaat. Het komt uit het niets en verdwijnt in het niets, maar staat intussen toch als titel boven het verhaal en moet dus haast wel iets betekenen. Het biedt klaarblijkelijk een sleutel tot de tekst, maar niet pasklaar - wat overigens wel iets passends heeft voor deze tekst, die een plot heeft, maar niet sluitend, een ontknoping, maar niet dwingend, een karakter, maar niet afgebakend. Niets wil kloppen in de wereld van dit werk, wat veilig en bekend leek wordt al gauw weer vreemd. Een personage slaat een hoek om en de wereld achter hem is weg, hij legt de hoorn op de haak en zijn geliefde aan de lijn lijkt dood. Bij iedere beweging gapen er lacunes in het leven, ongevraagd en onheilspellend - en misschien is dat al wel een eerste bijklank in die vraag over de wind, een waailoze, verdwenen wind.

In plaats van antwoord te geven, gek genoeg, verzinkt de jongeman in gepieker over de lacunes in zijn eigen leven, thuis, in Nederland. Hij is een van die prototypische helden uit het werk van Rogi Wieg, in grote lijnen steeds dezelfde jongelieden, rond de dertig en onaangepast van aard, die moeizaam en vaak eenzaam samenleven met een vrouw. Zij maakt hem ongelukkig, zegt hij, want ze wil geen kind van hem, ze vindt hem ongeschikt als vader. Hij is daarom nu op reis met een kind van een andere vrouw, als oppas, maar hoe blij hem dat ook maakt, de vraag van het wurm leidt zijn gedachten plots weer terug naar huis. Die wind, voor hem, slaat kennelijk op hem.

Hij blijkt niet alleen een kind te willen hebben, hij zou er eentje willen zijn. Al zit zijn buikje tegenwoordig in de weg, hij loopt nog altijd rond in korte broek, op gympen, met verwarde haren, en vertoont zich zonder schaamte bloot op het balkon. Zijn lichaam wordt wel ouder, maar hijzelf is wie hij altijd was, hij scheert zich glad en is weer twaalf, of zeven, denkend aan de naalden die hij uit het breiwerk van een meisje heeft getrokken. Hij hoeft nooit bewust bij het verleden stil te staan, hij is het, hij onttrekt zich aan de tijd en leeft een onaantastbaar eigen leven van herinnering.

In de opgeslotenheid van dat bestaan, een soort claustrofobische idylle, blijkt hij last te krijgen van fantasmen, dwang- en waanbeelden. Er loopt naar zijn zeggen 'een heel dun spoor met een onheilspellende kleur' door zijn ziel, 'een blijvende vertakking van negatieve energie die ineens tot ontlading kon komen, die zich kon uitstorten over de hoofden van mensen van wie ik zei te houden'. Soms ziet hij het voor zich, hoe hij kinderen tegen de grond slaat, met een pen de ogen uitsteekt, in een ijskoude rivier laat vallen, waar hun moeder ze bevroren terugvindt. Hij weet niet wat die beelden van hem moeten, ze komen ongevraagd, ze komen aangewaaid.

Ze zijn 'de wind (-) van mijn gedachten'.

Hij verklaart die eigenaardige thermiek als een omkering van wat hij voelt, een schrikbeeld van zijn kinderliefde, maar het titelverhaal van de bundel suggereert een andere mogelijkheid. Het gruwelijke, wrede, kwade, krijgt daar een aantrekkelijke kant. Het wordt een kracht, het plaatst je buiten de orde en boven de wet, het tilt je op uit de cocon van je bestaan en zet je midden in de wereld. Het geneest je bovendien van faalangst, want ontheft je van je streven naar het goede, en verschaft dus al met al een heel nieuw zelfgevoel -'een identiteit die niets had te maken met twijfel, geestesziekte of andere vormen van zwakte'.

Dat zou die jongeman te Boedapest waarschijnlijk ook wel willen, dat verrukkelijke zelfgevoel, maar hij zou het nooit over zijn hart verkrijgen te genieten van het kwaad. Hij zegt het niet hardop, maar dat moet de reden zijn waarom hij zich verschanst achter de schijn van jeugd - hij associeert het kwaad met de volwassenheid, met lust en kennis, alles wat sinds Eva en de appel bij de mensheid hoort. Hij weigert daar bij te horen, trekt zich terug in ogenschijnlijke onschuld en probeert te denken dat de wind in zijn hoofd hem wezensvreemd is, iets van buitenaf. Als het niet waait kent hij geen kwaad.

Door dat zelfbedrog, als ik me niet vergis, ontgaat hem dat het kwaad zich ook bladstil kan houden, dat het zich misschien wel nergens zo goed schuil kan houden als in zijn aversie van het kwaad. De onschuld die hij zich aanmeet door te doen alsof hij nog een kind is, smetteloos, moet hij in stand houden door zich met echte kinderen te omringen, door op hen te teren, als een parasiet. Het is met hem als met de man uit een ander verhaal in de bundel, 'Dienstdoende liefste', die de aandacht van een vrouw wil opzuigen als 'het bloed uit (haar) aderen'. Vampiers zijn ze, doden die zich voeden met de levenden maar daar uiteindelijk niet minder dood van worden.

Die impasse is de kern van hun bestaan, van hun verhalen en uiteindelijk van heel Souffleurs van de duivel. Of de held nu een verhouding met een orthodox joods meisje heeft en haar in zijn gedachten omvormt tot zijn eigen schepping, of hij een vriendin zoekt om een kindje bij te maken of meteen maar vijf vriendinnen neemt die elk een kant vertegenwoordigen van zijn verlangens, steeds weer schemert door zijn hoop op liefde een dreiging van vernietiging. Hij voelt het zelf, maar kan het niet bevatten of beheersen en leeft dus dag aan dag in vreze voor de kracht die uit hem los zou kunnen breken.

Die kracht is in Souffleurs van de duivel niet op elke bladzij voelbaar, als parabelen van goed en kwaad hebben een paar verhalen iets bewijzerigs, iets demonstratiefs, dat niet goed is voor de spanning. Maar telkens waar de held en de verteller samenvallen, zoals bij de jongeman in Boedapest, en je als lezer dus gedwongen wordt tot het gezichtspunt van een man die in zijn hoofd een moordenaar heeft wonen, trekt er door de zinnen een nerveuze trilling die een heel register losmaakt van paniek en schrik en angst en dreiging - onbestemd, maar toch verbluffend specifiek en effectief. Je ziet die jongeman in een hotel, je bent die jongeman, je zit daar met een kind, je wilt het liefhebben, je wilt het vasthouden en strelen, ja, je zou het willen 'kneden', en ineens slaat het zweet je uit. Stak daar de wind niet op?

UIT: ROGI WIEG, SOUFFLEURS VAN DE DUIVEL

Het meisje was met me meegelopen, de trap op. Ze kende me uit de straat en ik had een paar keer met haar gepraat. Ze vroeg me of ze in mijn huis mocht kijken. (-) Ik had het benauwd en was duizelig. Ik zei dat ze maar niet mee naar binnen moest gaan, dat ik nog moest werken, maar het negermeisje gehoorzaamde niet.

En toen kwam die vreemde woede in me op. Ik voelde mijn dikke buik, ik voelde mijn hartslag en ik wist dat ik plomp en oud was en dat ook zou blijven als ik het meisje zou wurgen. Daarom zei ik nog een keer dat ze niet op het bed moest zitten. Ik liep naar haar toe, gaf haar een kus op haar gladde, donkere voorhoofd en duwde haar de slaapkamer uit.

De klok sloeg vier uur in de middag. Ik moest boodschappen doen, ik wilde mijn schoenen laten maken en ik wilde ook naar de kapper.