Zelfs een ruïne was mooier dan zij; Drie biografieën van George Eliot

De schrijfster George Eliot was in het Engeland van eind negentiende eeuw bijna net zo beroemd als koningin Victoria. Haar verstikte romanheldinnen zijn altijd mooi, zijzelf was zo lelijk dat ze zich een oude heks noemde. Dat in haar dagen schoonheid het kapitaal van de vrouw was, verwoordde ze steeds weer in haar romans en verhalen. “Wie haar debuut heeft gelezen, wil alles lezen en wie alles heeft gelezen leest haar biografie.”

Frederick Karl: George Eliot. A biography. Uitg. HarperCollins, 708 blz. Prijs ƒ 73,50. Jennifer Uglow: George Eliot. Haar leven en werk. Vert. Ank van Wijngaarden. Feministische uitgeverij Vita, 283 blz. Prijs ƒ .37,50. Rosemarie Bodenheimer: The Real Life of Mary Ann Evans. George Eliot. Her Letters and Fiction. Cornell University Press, 295 blz. Prijs ƒ 85,45. De romans van George Eliot zijn onder meer verkrijgbaar in de reeks Penguin Classics. De KRO-televisie zendt sinds woensdag wekelijks de zevendelige BBC-verfilming van Eliots roman Middlemarch uit (Nl.1, 20.30-21.31).

Dickens was de eerste die het raadde. Scenes of a clerical life, het debuut van de onbekende George Eliot, moest wel door een vrouw geschreven zijn. 'Als ik het mis heb,' schreef Dickens in 1858 aan Eliots uitgever Blackwood, 'dan werp ik tegen dat de geest van een vrouw in een mannenlichaam is binnengedrongen als gevolg van een vergissing die meteen rechtgezet zou moeten worden.'

George Eliot werd in 1819 als Mary Ann Evans in het Engelse graafschap Warwickshire geboren. Ze was de jongste dochter van een rentmeester. Op haar twintigste was ze zowel een belezen dame als een bedreven huisvrouw die boter kon karnen en kaas wist te bereiden, maar haar verstand won het al snel van haar huishoudelijke talenten. In 1851 verhuisde ze naar Londen en werd redacteur van het gezaghebbende tijdschrift de Westminster Review, in 1855 ging ze daar samenwonen met een getrouwde man, in 1880 trouwde ze er met een jonge bewonderaar en aan het eind van dat jaar werd ze er begraven. Maar in haar boeken keerde ze altijd terug naar het platteland. Over Adam Bede, haar eerste roman, schreef ze dat hij 'vol zal zijn van de adem van koeien en de geur van hooi.'

Hoofdstuk 7 van Adam Bede gaat over het maken van boter. In de eerste alinea beschrijft Eliot de melkerij, het zachtrode aardewerk en het gepolijste tin, de verse geur van pas geperste kaas en stevige boter. 'Maar', eindigt zij de alinea, 'men krijgt alleen een verwarde indruk van deze details als ze een afleidend mooi meisje van zeventien omringen, (-) dat haar arm vol kuiltjes rondt om een pond boter uit de weegschaal te tillen.' De scène roept een andere keukenscène in herinnering, meer dan honderd jaar later beschreven door Italo Calvino in Als op een winternacht een reiziger. Het boter karnen is vervangen door het kneden van gehakt en de kuiltjes zijn sproeten geworden, maar ook Calvino roept aan het begin van een hoofdstuk middels een schertsende beschrijving van keuken en meisje een beeld op van vers, tijdloos geluk; een wereld waarin zulke armen boter karnen of deeg rollen kan geen slechte zijn. Toch zijn er verschillen; verschillen die Dickens belangrijk zou hebben gevonden. Bij Calvino is het meisje onderdeel van een schilderij, hij kijkt naar haar als naar een gesmoorde ui of een waterkersmolen; als naar een object, om dat ouderwetse woord maar te gebruiken. Eliot doet iets heel anders: haar meisje, Hetty, is zich bewust van haar omgeving, van het effect dat die op haar heeft en hoe zij dat kan uitbuiten. Hetty weet dat er bij het boter karnen de bevalligste bewegingen zijn te maken, die haar ronde armen en nek op hun voordeligst doen uitkomen. Eliot kent haar Hetty, en al die andere vrouwen die van hun schoonheid weten. De passage in de melkerij eindigt ze met een opmerking over de 'fijne aanpassingen en afwerkingen die zich beslist niet konden voordoen zonder een groot vertoon van de pruilende mond en de donkere ogen.'

Minder bedreven lezers dan Dickens was het misschien niet opgevallen dat hier een vrouw aan het woord is, maar nu iedereen het weet, is het onontkoombaar en kleurt het de lezing van de passage. Calvino bewonderde, Eliot is afgunstig en dat terwijl ze zelf ook goed kon karnen. Maar zij moest dat aan haar grote, brede handen wijten. Met Hetty loopt het slecht af; ze vermoordt haar kind, dat ze gekregen heeft van een edelman die natuurlijk niet met haar wil trouwen en wordt verbannen naar Australië.

Corn Laws

George Eliot, aan het eind van de negentiende eeuw in Engeland bijna net zo beroemd als koningin Victoria (die haar boeken las) en Florence Nightingale (ook, maar ze vond ze niet goed), is in de twintigste eeuw lang niet gelezen. Pas in 1968 verscheen er voor het eerst een grote biografie van haar. Nu is er weer een biografie, van Frederick Karl, die eerder de levens van Kafka, Conrad en Faulkner beschreef. Karl vindt Eliot een groot schrijfster, maar zijn redenen om dat te vinden, overtuigen niet allemaal. Karl denkt dat Eliot zo goed schrijft omdat ze, althans in Engeland, de stem van de eeuw was. Meer dan Dickens, Carlyle en andere romanciers zou zij representatief zijn voor de dubbelzinnigheden, de angsten en de verdeeldheid van het Victoriaanse tijdperk. Het is een goed uitgangspunt voor een biografie, omdat het portret van één vrouw zo het portret van een hele eeuw kan worden, maar het lijkt me niet de reden waarom Eliots boeken nu gelezen worden. Engeland en de negentiende eeuw hebben met waardering voor Eliot weinig te maken en misschien wel niets. De lezer die op een Italiaans strand voor het eerst een boek van Eliot opent, laten we zeggen Middlemarch, haar meesterwerk, is misschien nog nooit in Engeland geweest en heeft er geen idee van wat de Corn Laws zijn, en als hij het boek uit heeft zal hij nog steeds geen belangstelling voor land en geschiedenis kunnen opbrengen. Maar ondertussen is hij wel meegevoerd door Eliots ongehoord melodieuze zinnen. Soms lijkt het net alsof je haar abstract lezen kunt, alsof je ook van haar zinnen zou kunnen genieten als je alleen de klank en niet de betekenis van het Engels meester was. Langzaam wordt de lezer door deze kalme muziek de plot binnengezogen en dan rust hij niet meer voor de helden en heldinnen hun tegenstanders hebben overwonnen of zich bij het onrecht hebben neergelegd. Na afloop onthoud je niet de intrige maar de lyrische beschrijvingen en de verstandige opmerkingen daarover, zoals deze uit 'Mr Gilfil's Love-Story'. Eliot beschrijft het verloop van een zomer op het land: hoe de madeliefjes en boterbloemen plaats maken voor wuivende grassen, die op hun beurt het veld ruimen voor het koren, dan buigt het koren door en al snel staat het in schoven, en stoppels liggen op de aarde die omgeploegd wordt om het nieuwe zaad te ontvangen. Wie het leest voelt dat hij partij moet trekken, voor de gele stoppels en de rode aarde, tegen het taankleurige graan, voor de madeliefjes en boterbloemen en tegen de bruine grassen. De krankzinnige vraag welk seizoen de lezer het liefst is, schreeuwt om een antwoord. Maar in de volgende zin (het vorige gebeurde allemaal in één zin), neemt Eliot hem die last weer van de schouders. Het verstrijken van de tijd noemt ze 'this passage from beauty to beauty', deze overgang van schoonheid naar schoonheid. Niemand hoeft te kiezen, alles is goed.

Eliot schreef dit in haar debuut. Wie dat heeft gelezen, wil alles lezen, en wie alles heeft gelezen (zeven romans, vijf verhalen, een dichtbundel en talrijke essays), leest haar biografie.

Ruïne

Het boek van Karl is dik en taai, vooral wegens de eindeloze opsomming van alle kwaaltjes waar Eliot en haar man Lewes aan leden, maar er staan wel veel anekdotes en wetenswaardigheden in. Bovendien schroomt hij niet om directe verbanden te leggen tussen Eliots leven en werk; ook hij meent bijvoorbeeld dat ze jaloers was op de mooie vrouwen die ze beschrijft. Waar die jaloezie vandaan komt, is niet moeilijk te begrijpen na lezing van de beschrijvingen die tijdgenoten van haar uiterlijk gaven. De een geeft haar een paardehoofd, een ander vergelijkt haar met een schimmel. Zelf noemde ze zich een ouwe heks. De manier waarop haar lelijkheid haar gehinderd heeft, blijkt uit haar affaire met de geleerde Herbert Spencer. Zij was verliefd; ze wilde met hem trouwen, ook al schreef ze hem dat ze wel begreep dat er niemand op haar verliefd kon worden. Spencer wees haar af: 'Het gebrek aan fysieke aantrekkingskracht was fataal,' schreef hij later. Het klinkt nu misschien erger dan het toen was; voor Spencer tien anderen. Hoe erg het toen was, blijkt uit een anekdote over een andere man, de uitgever John Chapman, met wie ze waarschijnlijk wel een verhouding had. In zijn dagboek beschreef Chapman een uitstapje naar een ruïne. De aanblik van de ruïne doet hem spreken over het 'ondoorgrondelijke mysterie en de betovering van schoonheid'. 'Mijn woorden staken haar en maakte een einde aan haar plezier. Ze weende bitter.' Zelfs een vergelijking met een ruïne kon deze vrouw niet doorstaan, die als meisje in een brief schreef dat ze het nu zeker wist: het doel van de wereld was 'bliss and beauty'. Het was zo erg omdat schoonheid in de vorige eeuw het kapitaal van de vrouw vormde, en het was erg omdat ze zelf zo van schoonheid hield.

Vorig jaar verscheen er in Nederland nog een biografie van Eliot, een slordige vertaling van de levensbeschrijving van Eliot uit 1987 door Jennifer Uglow, merkwaardig trouwens, want de boeken van Eliot zijn sinds de vorige eeuw op een uitzondering na niet meer in het Nederlands vertaald - de biografie verwijst naar de Engelse Penguin edities. Uglows boek is dunner, maar behartigenswaardiger dan dat van Karl. Bij haar is Eliot niet de stem van een tijdperk, zij hoort de stem van een vrouw die het tegen een tijdperk moest opnemen. Uglow is scherp in de analyse van de rol van de plot bij Eliot. De intriges van de schrijfster horen vaak bij wat wij nu keukenmeidenromans noemen. Het verhaal van Hetty is daar een goed voorbeeld van. In de romans is er altijd wel een onecht kind dat plotseling een fortuin ten deel valt of een vrouw die van een zelfmoord in een rivier wordt gered. Maar het loopt meestal anders af dan verwacht; juist om zo'n plot weeft Eliot haar realisme. 'Met een reeks misleide vrouwen - Hetty, Rosamund, Gwendolen - moet het wel slecht aflopen omdat ze de fantasie in zich opnemen die in de romantische literatuur wordt geboden en geloven dat liefde, rijkdom, roem en geluk hen ten deel zullen vallen alleen omdat zij dit wensen,' schrijft Uglow.

Het boek van Uglow kwam uit bij de feministische uitgeverij Vita. Eliot is vanuit feministisch standpunt altijd een moeilijk geval geweest. Ze deed dingen die in de negentiende eeuw voor een vrouw niet gebruikelijk waren. Ze was redacteur van een gezaghebbend tijdschrift, schreef boeken - weliswaar onder een mannelijke naam -, leefde samen met een getrouwde man en steunde zelfs de kinderen die diens vrouw van een ander had. In haar boeken botsen vrouwen voortdurend op de beperkingen die de maatschappij hen oplegde en ze zijn zich daar vaak pijnlijk van bewust. 'We worden grootgebracht als bloemen,' laat Eliot Gwendolen Harleth in Daniel Deronda, haar laatste roman, zeggen, 'om er zo aardig mogelijk uit te zien, en om zonder klagen saai te zijn.' George Eliot wist de beperkingen te overwinnen, maar dat betekende niet dat ze andere vrouwen hetzelfde gunde, zelfs niet de heldinnen van haar boeken. Eliots opvattingen waren conservatiever dan haar leven doet vermoeden. Het stemrecht voor vrouwen heeft ze bijvoorbeeld nooit toegejuicht. De enige vrouwen die een uitzondering op de regel mochten zijn waren vrouwen met een groot talent, zoals zij zelf had. 'Je kunt je niet voorstellen wat het is om de kracht van het talent van een man in je te hebben, en toch te moeten lijden onder de slavernij die het is om een meisje te zijn,' roept een zangeres in Deronda uit. Maar Eliot geloofde ook weer niet dat haar eigen talent mannelijk was. Vrouwen en mannen waren volgens Eliot niet gelijk en moesten dat ook niet worden. Want dan zouden de typisch vrouwelijke eigenschappen, die nu eenmaal bestaan omdat een vrouw moeder kan worden, verloren gaan. De belangrijkste van deze eigenschappen waren opoffering en medeleven. De opoffering was voor haar heldinnen, het medeleven voor haarzelf.

Berusting

Toen Jane Carlyle, vrouw van schrijver Thomas Carlyle, Adam Bede had gelezen, schreef ze: 'het is een zeer menselijk boek. Toen ik het uithad voelde ik me welwillend ten opzichte van het hele menselijke ras'. Eliot moet blij zijn geweest met deze opmerking. Zelden laat iemand zo goed de voor en tegens van een situatie zien als zij. Net als bij de seizoenen kiest ze niet en helpt ze de lezer om niet te kiezen. De enige keuze die ze uiteindelijke altijd maakt, is die voor de status quo. Eliot laat haar heldinnen rebelleren, maar hun rebellie leidt tot niets. Wat volgt is meestal berusting. Zelfs de liefde kan daar geen verandering inbrengen. Als Maggie, waarschijnlijk de meest autobiografische van Eliots heldinnen, er in The Mill on the Floss vandoor kan gaan met de man die ze liefheeft, weigert ze. Want 'liefde is natuurlijk - maar medelijden, trouw en herinneringen zeker ook.' De gemeenschap wint het altijd van het individu.

Geen van de biografen heeft een bevredigende verklaring voor de kloof tussen Eliot en haar heldinnen gevonden. Karl houdt het op de tegenstrijdigheden van het Victoriaanse tijdperk, Uglow laat Eliot hopen dat vrouwelijk medeleven en opoffering de maatschappij beter konden veranderen dan wetten en wetenschap en Rosemarie Bodenheimer, schrijfster van een andere recente biografie, denkt dat Eliot in haar boeken berouw toont over de keuzes die ze in haar eigen leven maakte. Virginia Woolf ging in een beroemd geworden artikel zo ver dat ze de romans van Eliot afwees en alleen haar leven prees. Maar George Eliot lees je nu niet meer om haar standpunten, meent ook Uglow; haar beschrijvingen van verstikte vrouwen zijn meer waard dan haar meningen.

Spiegelbeeld

Er is nog een verschil tussen Eliot en de vrouwen over wie ze schrijft. Haar heldinnen zijn bijna altijd mooi, lelijk of onopvallend zijn alleen de bijfiguren. Eliot vond schoonheid zo belangrijk dat ze er tweemaal een boek mee begon. 'Was ze mooi of niet mooi?' luidt de openingszin van Daniel Deronda. 'Miss Brooke had that kind of beauty which seems to be thrown in relief by poor dress,' 'Juffrouw Brooke bezat die soort schoonheid die des te beter uitkomt in armoeiige kleding, is de eerste zin van Middlemarch. Er zijn twee soorten schoonheid voor Eliot: de schoonheid van heldinnen als Dorothea, Mirah en Dinah: zuivere schoonheid waarvan de bezitter zich niet bewust is. En er is de schoonheid van Hetty, Gwendolen en Rosamond, die hun schoonheid als een talent beschouwen en er hun gedrag door laten leiden. Gwendolen kust haar eigen spiegelbeeld en dat, juist dat mag niet van Eliot. Deze schoonheid wordt in haar boeken het zwaarst gestraft.

De schoon- of lelijkheid van een schrijver is een onderwerp waar doorgaans weinig aandacht aan wordt besteed; het uiterlijk is het domein van de romancier. Eliots lelijkheid is zo berucht dat ze er mee is doorgedrongen in de Nederlandse literatuur. In de novelle Isabelle (1989) van Tessa de Loo wil een lelijke vrouw een mooie vrouw vermoorden; langzaam, want eerst wil ze haar verval vastleggen. Wanhopig vraagt de lelijke vrouw zich af hoe ze de mooie vrouw kan duidelijk maken wat het is om lelijk te zijn. Dan vraagt ze: ' 'Ken je George Eliot?' 'Is dat niet een schrijfster?' 'Ze was behoorlijk lelijk. (-) Ze raakte bevriend met Herbert Spencer, een bekende fysionomist in zijn tijd. Hij schreef twee essays om te bewijzen dat schoonheid nauw verbonden zou zijn met een goed karakter, met intellectuele en culturele vaardigheden. Die theorie verluchtigde hij met portretten van allerlei mensentypes. Onder de voorbeelden van met negatieve eigenschappen gepaard gaande lelijkheid trof George Eliot tot haar schrik haar eigen portret aan.' '

In een beroemd geworden passage uit Adam Bede, 'Waarin het verhaal even pauzeert' verdedigt Eliot de lelijkheid. De passage is beroemd geworden wegens haar vergelijking van haar eigen kunst met die van de Hollandse schilders uit de Gouden Eeuw. Maar Eliot houdt niet op bij het realisme in de kunst. Ze gaat door over het leven: 'All honour and reverence to the divine beauty of form! Laten wij het tot het uiterste koesteren in mannen, vrouwen en kinderen - in onze tuinen en in onze huizen'. Het leven behandelde haar niet goed door haar uiterlijk een lelijke vrouw te maken in een tijd dat schoonheid voor vrouwen veel belangrijker was dan nu en het schone en het goede nog veel hechter met elkaar verbonden waren. Eliot heeft daar wat opgevonden. Weer roept ze het mededogen te hulp: 'Er zijn maar weinig profeten op de wereld, maar weinig subliem schone vrouwen; maar weinig helden. Ik kan het me niet permitteren al mijn liefde aan zulke zeldzaamheden te geven.' Van de lezer heeft ze blijkbaar een minder hoge dunk. Lelijke vrouwen kan men liefhebben, ze kunnen niet de hoofdpersoon zijn van een roman.

Het lezen van drie biografieën over de schrijfster laat zien dat ze ongelijk heeft. Want daarna geldt het mededogen van de lezer ook de schrijfster, die tot dan als een godheid boven haar personages verheven wilde zijn. Wie schrijft er een roman over George Eliot?

    • Bianca Stigter