WIW, JWG en het economisch vernuft

Nederland is weer een afkorting rijker: WIW, van Wet Inschakeling Werklozen. Het kabinet Kok wil de verschillende vormen van gesubsidieerde arbeid stroomlijnen en heeft daarvoor advies gevraagd aan de Sociaal-Economische Raad (SER). Die heeft vandaag op hoofdlijnen ingestemd met het doorsluizen van jaarlijks 1,4 miljard gulden van de rijksoverheid naar de gemeenten. Het gaat daarbij om geld voor banenpools en Jeugd Werk Garantieplaatsen (JWG). Ook de jaarlijkse 3,4 miljard gulden die Melkert wil uittrekken in het kader van de Sociale Werkvoorziening (WSW) werd van een keurmerk voorzien.

Het gaat bij de WIW in totaal om 4,8 miljard gulden aan subsidies. Worden de Melkert I- en II-banen meegerekend, dan kan daar per jaar nog ruim 600 miljoen gulden bij opgeteld worden. Het creëren van banen met rijksgeld is een begrip dat stamt uit de jaren dertig, toen in het Amsterdamse bos door werklozen nuttige activiteiten werden verricht. Er zit een idee achter: het maakt niet uit wat de mensen doen, als ze maar bezig zijn. Dat maar 2 procent van de banenpoolers doorstroomt naar een 'echte' baan, maakt de banenmakers op het ministerie van Sociale Zaken niet minder enthousiast.

De vraag naar de effectiviteit van dit soort subsidies wordt zelden gesteld. Toch is er een makkelijker en doeltreffender manier om banen te maken. Volgens het economische model FKSEC dat door het Centraal Planbureau (CPB) wordt gebruikt voor het doorrekenen van overheidsmaatregelen doet Melkert er verstandig aan om de jaarlijkse 5,5 miljard gulden aan baansubsidies in te zetten voor verlaging van de werkgeverslasten. Volgens het Variantenboek van het CPB, waarmee je zelf maatregelen kunt doorrekenen, levert dat na 8 jaar al 214.000 extra banen op. Echte banen! Dat is meer dan de 190.000 banen die Melkert jaarlijks met zijn 5,5 miljard gulden kunstmatig in stand houdt.

Ron Hogenboom van de Vrije Universiteit Amsterdam heeft drie maanden stage gelopen bij de Sociaal-Economische Raad en mocht daar van september tot eind januari meewerken aan het Middellange Termijnadvies 1996-2000 dat daar thans wordt voorbereid. Hogenboom lichtte het kabinetsbeleid met betrekking tot de onderkant van de arbeidsmarkt door op effectiviteit en doelmatigheid en zijn conclusie is vernietigend. De kans is volgens Hogenboom groot dat werklozen werknemers zullen verdringen. Enig positief element hieraan is dat door het 'rouleren van werklozen' langdurige werkloosheid wordt tegengegaan. “Verder bestaat het gevaar van oneigenlijke concurrentie”, schrijft Hogenboom in zijn stageverslag. Werkgevers die werklozen in dienst nemen, hebben immers lagere loonkosten dan werkgevers die geen lastenverlichting krijgen. Een laatste punt vormt de zogeheten 'reserveringsloonproblematiek'. Wanneer met werken niet véél meer te verdienen valt dan met niets doen, zullen veel uitkeringsgerechtigden voor het laatste kiezen. Een kwestie van economisch vernuft.

De laagste uitkering in Nederland (het sociaal minimum) is gelijk aan het netto minimumloon. Als je door lage opleiding en beperkte capaciteiten bent veroordeeld tot de onderkant van de arbeidsmarkt ga je er als uitkeringsgerechtigde per definitie weinig op vooruit door te gaan werken. Zeker niet als je daardoor een deel van je individuele huursubsidie kwijt raakt, reiskosten moet gaan maken, lokale belastingen niet meer worden kwijtgescholden, de suppletie van een voormalige werkgever verdwijnt, etc.

Hogenboom vindt politici hypocriet. “Onder het mom van het tonen van een sociaal gezicht laten ze werklozen keihard langs de kant staan”, zegt hij. Als de economie tegenzit en meer mensen arbeidsongeschikt of werkloos worden, probeert de overheid stelselmatig met ad hoc maatregelen een dam tegen het wassende water op te werpen. Dat helpt even, maar niet voor lang. Beter zou het volgens Hogenboom zijn als nu eens een sociaal stelsel werd ingericht dat op lange termijn houdbaar blijft. Voor Hogenboom bestaat in dat kader maar één echte remedie: de uitkeringen moeten omlaag. Hogenboom: “Dat is hard, maar het is het enige middel. Doe je dat niet, dan zeg je in wezen tegen mensen: blijf maar thuiszitten of neem een Melkertbaan”.

Een verlaging van het minimumloon en de daaraan gerelateerde uitkeringen met 10 procent zal binnen een periode van 8 jaar de totale werkgelegenheid met 80.000 personen doen toenemen, rekent hij voor. Althans volgens het gangbare model FKSEC van het Centraal Planbureau. Een verlaging van de bijstandsuitkeringen met (netto) 8 procent gecombineerd met een verlaging van de werkloosheidsuitkeringen en het wettelijk minimumloon met 10 procent zal volgens een ander model van het CPB, MIMIC genaamd, het aantal banen met maar liefst 230.000 vergroten. Logisch, schrijft Hogenboom. Door de uitkeringen te verlagen wordt een vliegwiel dat al jaren de verkeerde kant uitdraait in tegengestelde richting bewogen. Lagere uitkeringen leiden tot lagere sociale premies. Bovendien neemt de financiële stimulans om te gaan werken toe. De loonstijgingen in de bedrijven kunnen daardoor lager uitvallen, hetgeen de concurrentiepositie van die bedrijven ten goede komt. Een andere optie is dat er meer échte banen in de gezondheidszorg, de persoonlijke verzorging en de vrije tijdsbesteding komen. Het Amerikaanse model. Een zakenman die 500 gulden per uur rekent, doet er verstandig aan zich te laten rondrijden door een laagbetaalde kracht die, zeg, 50 gulden per uur rekent. De toegevoegde waarde van deze extra dienstverlening bedraagt dan nog 450 gulden. De zakenman kan op de achterbank immers werken, terwijl de auto doorrijdt. Diezelfde zakenman doet er ook onverstandig aan om zijn auto zelf te wassen, zijn gras te maaien, etcetera. Een manier van denken die eerder een culturele dan een economische omwenteling vereist. Maar om de werkloosheid écht op te lossen en niet alleen op papier moet nu eenmaal gegrepen worden naar onconventionele middelen en niet naar schijnoplossingen.

    • Frank van Empel