Westen zit nog niet te wachten op Afrikaanse textiel

AMSTERDAM, 16 FEBR. Prachtig, traditioneel geklede Ghanese vrouwen flaneerden gistermiddag in het Victoria Hotel in Amsterdam. Met fel gekleurde jurken probeerden zij de aandacht van Nederlandse ondernemers op de Afrikaanse textiel te vestigen. Maar wat bleek? De westerse landen zitten helemaal niet te wachten op de typisch Afrikaanse klederdracht.

Ongeveer zestig ondernemers, mode-ontwerpers en producenten namen gisteren deel aan het seminar Turn to the West African Textile Industry van Inzet, de Vereniging voor Noord-Zuid Campagnes. Het centrale thema was het perspectief van de Afrikaanse textielindustrie op de wereldmarkt. Deze heeft een bloeiende toekomst, zo werd op het seminar duidelijk. Maar de sector zal zich eerst op diverse terreinen moeten aanpassen. En dat vóór 2003. Dan loopt volgens afspraken in de GATT (wereldhandelsakkoord) het multi-vezelakkoord af, de importbeperking waarmee westerse landen hun eigen industrie beschermen.

“Wie wil dit soort kleding nu kopen in Nederland”, vroeg C. Harbrecht van Project Uitzending Managers (PUM) zich hardop af. Deze organisatie, waarvan Nederlandse oud-managers lid zijn, stuurt over de hele wereld deskundigen uit die ontwikkelingslanden adviseren bij de verbetering van hun bedrijfsleven. Harbrecht adviseert momenteel een textielproducent in Mali. “Afrikaanse ondernemers moeten zich niet richten op de zeer kleine markt voor traditionele klederdracht, maar zich aanpassen aan de wensen van de veel grotere wereldmarkt”, vindt de adviseur.

“Ook moeten ze creatiever kijken naar de mogelijkheden die textiel biedt”, merkte J. van den Akker op. Zij hielp in het kader van het United Nations Development Program (UNDP) Indische jute-producenten andere markten op te zoeken. “Jute werd daar alleen gebruikt om verpakkingszakken mee te maken maar de markt dreigde weg te vallen toen plastic zijn intrede deed. Wij hebben de fabrikanten toen geleerd dat ze moeten inspelen op de mode in het Westen.”

Dat lukte volgens haar wonderbaarlijk goed. “In veel Indische kleding wordt nu jute gebruikt terwijl dat voorheen ondenkbaar was. Als het Westen de fabrikanten in India aan nieuwe ideeën kan helpen moet dat in Afrika ooklukken.” Een enkeling vroeg zich echter wel af hoe de Afrikaanse producenten moeten weten wat de laatste mode in het Westen is. “Via de afnemers en de textielbeurzen kunnen ze toch op de hoogte worden gebracht over de laatste mode? Ik zie dit niet echt als een probleem”, aldus Van Den Akker.

De slechte afstemming op de wereldmarkt is echter niet het enige probleem. Volgens adviseur Harbrecht zijn de slechte technische kennis en de verouderde machines van de Afrikaanse bevolking een te grote handicap voor de lokale textielindustrie. Hij pleit dan ook voor beter onderwijs en meer investeringen. “Een Nederlander weet misschien ook niet meteen wat hij met zijn fiets aan moet als er iets mankeert aan de ketting, maar hij gaat in ieder geval niet op zijn stuur staan rammen met een hamer. Dat gebeurt in Afrika wel”, meende hij.

Ondanks deze negatieve visie op de textielindustrie is hij wel optimistisch over de toekomst. Als de aanpassingen eenmaal plaats hebben gevonden kan de Westafrikaanse katoensector de concurrentie aan met landen uit Azië, die op dit moment vele malen meer omzetten op de wereldmarkt. De snel noodzakelijke modernisering van de industrieën moet worden gesteund door investeringen uit de landen van de Europese Unie, waarbij ook geld uit Ontwikkelingssamenwerking een grote rol moet spelen, zo concludeerden de seminar-deelnemers. Voor investeringen in 'human resources' (onderwijs) is de medewerking van Europese non-gouvernementele organisaties, vakbonden en branche-organisaties onontbeerlijk.

Het klinkt misschien vreemd in de oren maar Harbrecht is niet razend enthousiast over de geleidelijke afschaffing van het multivezelakkoord “Zonder deze quota wordt de kleding uit het Oosten hier spotgoedkoop. En tegen die lage prijs en kwaliteit kunnen landen uit West-Afrika nog niet op.”