Wat las Pierre Kemp?

Bladeren en lezen in groot verstaan, Universitaire Pers Maastricht, 1995, ƒ42,50. Te bestellen via Postbus 2945, 6201 NA Maastricht.

“Dag stoel naast de tafel/ dag brood naast de tafel/ dag visserke-vis met de pijp/ Goeden morgen mantel!/ Goeden middag costuum!/ Goeden avond, colbert, waar is God?” Hier zijn dichtregels van twee poëten aaneengesmeed: de eerste drie zijn van Paul van Ostaijen, de overige van Pierre Kemp. Beiden zijn al jaren dood en leven tot op de dag van vandaag voort via hun werk. Van Ostaijens expressionistische, vitalistische kunstopvatting resoneert in uitzinnige toeters- en zeepbellendichters als Bart Chabot en Diana Ozon; Kemps verneukeratieve argeloosheid deels in het werk van Martin Reints en Wiel Kusters, deels in dat van drs. P. en Willem Wilmink.

In 1994 kreeg de Maastrichtse Universiteitsbibliotheek de boekerij van Pierre Kemp (1886-1967) in langdurig bruikleen. Afgelopen zomer verscheen Bladeren en lezen in groot verstaan, een door Wiel Kusters en Harry G.M. Prick samengestelde en met essays verluchte catalogus van Kemps boekenbezit. Van Ostaijen schittert daarin door afwezigheid. “Terwijl aan Van Ostaijens betekenis voor zijn latere poëzie niet valt te twijfelen” (Karel Meeuwesse in 1957). Klompen kunnen breken en schepen vergaan maar nieuwsgierigheid blijft altijd bestaan; daarom prof. Kusters gefaxed en als antwoord gekregen: ,Besef alstublieft dat Kemps bibliotheek geen reconstructie is van alles wat hij in de loop der jaren bezat; u komt alleen die boeken tegen die ik in 1990 aantrof toen ik samen met Kemps oudste zoon, Antoine, de Turennestraat bezocht.

Kemp heeft bij zijn leven ook boeken weggedaan, verkocht aan of via zijn broer Mathias die in Maastricht een antiquariaat dreef. Onlangs verblijdde Antoine Kemp de UB trouwens nog met een partij boeken over muziek, afkomstig uit pa's collectie, die tot dan toe bij zoonlief thuis hadden berust of waar een andere zoon tot aan zijn dood toe de beschikking over had gehouden. De zoons deelden een aantal interesses met hun vader, zeker zijn liefde voor muziek.''

Pierre Kemps collectie bestaat uit 791 boeken, op enkele na door de dichter eigenhandig gekaft in verschillende tinten vliegerpapier. De UB heeft ze gelukkig niet ontmanteld maar discreet voorzien van de signatuurreeks MV KEMP 1-791. Opvallend is dat de dichter nauwelijks romans bezat, naast Max Havelaar, Faust, Don Quijote in Engelse en Duitse editie, slechts Louis Paul Boons schelmenepos De bende van Jan de Lichte. Romans moest je volgens Kemp niet lezen maar leven. Zijn eigen leven leest op het eerste gezicht niet als een roman: “Ik reed 28 jaar lang elke dag zestig kilometer (dertig op en dertig af) naar de mijn; reed tweede klasse, zat zeer veel niet-roken alleen (er waren toen nog vaak van die leuke coupés om knus te zitten). In die opreis vooral 's morgens dus, al vroeg, schreef ik zeer vele kleine gedichten.

Ik reisde in een echte boemel, die om de vijf minuten stopte, maar in die vijf minuten moest ook zo'n gedichtje gereed zijn. Tussen twee halten werd er nog wat aan gepolijst en in het laatste gedeelte werd gezorgd voor de finishing touch.''

Kemps keurig in kaart gebrachte boekerij is een intrigerend allegaartje.

Bloemlezingen met Nederlandse en buitenlandse poëzie, sprookjes en volksverhalen, biografieën van Debussy, Fauré en Ravel, allerhande boekenweekgeschenken, weelderige geïllustreerde boeken over kinderspeelgoed, keramiek, grafiek, romantische schilderkunst, kunstgeschiedenis, en dit alles meestal in het Frans, Duits of Engels. Ontbreekt Van Ostaijen ook in de aanvraagbriefjes die Kemp gemiddeld honderd keer per jaar invulde om boeken te lenen via de Maastrichtse Stadsbibliotheek? Circa tweehonderd van die briefjes zijn dr. Harry G.M. Prick 'op woensdagmiddag 20 februari 1963 ter hand gesteld'. Zonder dralen de 'altoos volhandige' Van Deyssel-biograaf geconsulteerd: “Inderdaad lever ik binnenkort het eerste deel van de biografie in bij Querido. Omdat ook Pierre Kemp mij na aan het hart ligt heb ik die aanvraagbriefjes tot en met bestudeerd. Van Ostaijen wordt daarin niet genoemd. Voorlopig blijf ik aannemen dat Kemp hem alleen via bloemlezingen onder ogen kreeg, al wil ik niet bij voorbaat uitsluiten dat er ooit enig aanvraagbriefje opduikt waardoor het volstrekte tegendeel aan het licht wordt gebracht.”

S. Vestdijk dichtte Kemp “affiniteit met Vlaamse verschijnselen uit de tijd van Van Ostaijen” toe, “een grotere vrijheid en argeloosheid in het experiment, een groter warmte en ongekunsteldheid, en, formeel, meer strooptochten in de tusschengebieden tussen poëzie en proza”. Zijn strooptochten leverden Kemp, zoals Kusters aan de hand van streepjes en notities in diens boeken traceerde, een reeks markante om niet te zeggen bizarre beelden op. Zo dichtte de in vergetelheid geraakte Léon-Paul Fargue rond de vorige eeuwwisseling “Embrasse-moi,/ Oh comme il fait noir dans la bouche” en Pierre Kemp in 1951: “Het is weer nacht in mijn mond./ Ik heb sterren gegeten/ en ben, als altijd, die grote daad terstond vergeten.” Neen, Willem Brakmans roman Het zwart uit de mond van Madame Bovary dateert van 1974 en behandelt een ander soort zwart. De regels “en zijne mond/ Kuste gemakkelijk omdat haar roode/ Zangerige lippen het aldus geboden” uit Gorters Mei bleken een kolfje naar Kemps gretig annexerende hand: “Ik zuig mij vol aan iets. 't Is of mijn oude kop/ zich traag verandert in een bloesemknop”.

En, duidelijker: “Ik kom, ik ga,/ omdat mijn handen en mijn voeten, mijn ogen en hart zo moeten/ en ik het licht nu eenmaal zo versta”. Dag boek op de tafel/ dag roman naast de tafel/ dag dichtertje-dicht zonder pijp/ Goeden morgen, meneer Kusters!/ Goeden middag, meneer Prick!/ Goeden avond, UB, waar is Paul van Ostaijen?

    • Peter Yvon de Vries