Roodgloeiende motoren in het zand; Vastberaden beelden van Tony Cragg in Parijs

De Engelse beeldhouwer Tony Cragg beschouwt zijn werk als een ontdekkingsreis langs materialen. Hij begon ooit met papier, bakstenen en plastic, neergelegd in simpele, ritmische ordeningen. Later ging hij over op ijzer, marmer en parafine, en werd zijn werk steeds sensueler, zoals te zien is op een tentoonstelling in Parijs. “Ineens staat er een onverzettelijke, maar sierlijke golf op de grond, rustend op een plastische bilpartij.”

Tony Cragg, sculptures. Tot 8/4 in Centre Georges Pompidou, rue Beaubourg, Parijs. Geopend: ma. t/m vr. 12-22 uur, za. en zo. 10-22 uur. di. gesloten. Catalogus: Ffrcs. 200.-.

Bij wijze van groet is een hand neergezet met de afmetingen van een mens. Het is zo'n hand die als maatlat dient voor de architectonische hoogte die keizers, boeddha's en Stalins in beeldhouwwerken wisten te bereiken. Een andere gipsvorm lijkt op een zeeëgel, zo'n kolos uit de prehistorie. En uitgespreid op een behangtafel ligt nog een allegaartje van flessen, plastics en mislukte huisvlijt die sommige mensen alsmaar bewaren omdat ze nergens afscheid van kunnen nemen.

Dit is geen tentoonstelling, maar een soort Jeugdland, waar vroeger tijdens de schoolvakanties werd lesgegeven in de knutselkunst. Ook op deze plek in Parijs mogen kinderen klei kneden, mallen bakken en gips gieten. Belangrijker dan de prestatie is hun lijfelijke contact met vormen en materialen waaruit de beeldhouwkunst wordt gemaakt. Uit die eerste lessen hoeft dus niets moois te ontstaan - liever niet, eigenlijk.

De meeste mensen in het Parijse Centre Beaubourg lopen meteen naar de roltrap. Ze klimmen omhoog naar Matisse, Braque en Picasso, zonder een blik te werpen in de Galerie-Sud op de begane grond. Jammer, want behalve dat Jeugdland, is in deze vleugel een imposant overzicht ingericht met het werk van de Brit Tony Cragg (1949).

Diezelfde Cragg, ruim 25 jaar beeldhouwer, was de afgelopen weken niet te beroerd om de Parijse kinderen hier aan de hand van zijn eigen 'winkeldochters' les te geven. De keizerlijke hand en het prehistorisch monster komen uit zijn atelier in het Duitse Wupperthal, waar hij sinds 1977 woont. Met zo'n blik in de keuken riskeert de beeldhouwer een soort ontheiliging van zijn oeuvre, zou men kunnen denken.

Het tegendeel is waar. Die gedeukte beeldebrokken onthullen juist hoe ambachtelijk Cragg tot zijn soms strenge en soms wulpse gestalten komt. Ze kunnen zich volledig onttrekken aan de dingen om ons heen, maar net zo gemakkelijk verwijzen ze, ondanks hun afwijkend voorkomen, naar reële fenomenen als een stedelijke structuur, een televisiescherm of een gebit.

De échte tentoonstelling van Tony Cragg, een etage hoger, staat haaks op al de afbraak in het atelier. Het is een sublieme, subtiel ingerichte hommage. De niet al te opvallende locatie komt overeen met de positie die Cragg al jaren inneemt in de periferie van het 'internationale namen-circuit'. Het aantal beelden - steeds groot, hoog of weids - is zorgvuldig in de zalen gedoseerd. Ze staan trots te zijn op zichzelf.

Men wandelt langs een parcours, met een zeegroene kast waaruit een sliert van saaie mini-rijtjeshuizen door de lucht suist; met drie, vier meter hoge, taps toelopende torens, opgebouwd uit ontelbare, platte tandraderen en radschijven van nikkel, verroest ijzer en aluminium; met tuimelende bronzen pionnen uit een schaakspel, en langs druiventrossen, in zonnekleurig parafine uit de mallen gekomen, die eetbaar lijken als consumptieijs van abrikozen. Hier staan 'landmarks' uit een beeldhouwersbestaan.

“Toen ik achttien jaar oud was, wist ik zeker dat ik dingen in de ruimte wilde maken, desnoods wat knopen in een touw”, vertelt Cragg op een video; “een schilderij is een platte illusie, maar een sculptuur is concreet, zoals ook de ruimte concreet is”. Zijn motivaties, rustige uitstraling en kristalheldere ogen laten een open, vastberaden indruk achter. 'Schipperen' komt vast niet voor in zijn vocabulaire. Cragg maakt geen beelden, hij is zijn beelden.

Het overzicht bevat maar een fractie van zijn produktie. In series heeft Cragg vele materialen verkend. Het begon met papier, keien, bakstenen en plastic, neergelegd in simpele, ritmische ordeningen. Daar hoorden ook stapelingen bij, zoals vierkante bundels van hout, dekens en afval, alsof dat wat eerst zo plat was als de land-art van Richard Long, onverbiddelijk de lucht moest gaan verkennen.

Later volgden glas, ijzer, keramiek, marmer, brons en parafine; vooral de glazen fles was populair, omdat deze vorm hem een uitgesproken voorbeeld was van een huid die de ruimte omspant. Tientallen matglazen flessen, in oceanisch blauw en groen en wit spietste hij bijvoorbeeld aan een enorme, liggende spiraal; een brutale follow-up van Duchamps flessenrek.

Afval

Aan de oevers van de Rijn heeft Cragg voor zijn vroege, platte ordeningen eerst zakken vol plastic afval vergaard. Het was de tijd van de Arte Povera - toen kunstenaars met grillige, vaak vergankelijke spullen zich afzetten tegen de kille concepten van het minimalisme. Op vloeren werden die plastic fragmenten stukje bij beetje geweven tot een kleurenspectrum; abstract als een palet, dat keurig van blauw naar rood verloopt, maar ook figuratief, zoals de vrolijke mozaiek van menselijke figuren aan de wand van de Galerie Sud.

Bij zijn eerste, verkennende beelden hield Cragg er aanvankelijk strenge regels op na. Beelden hoorden plat op de grond thuis, ze mochten niet hermetisch zijn en er mocht niet gelijmd worden. Daar is hij gedeeltelijk op teruggekomen. 'Het maken van een beeld is een reis geworden naar de gedragingen van het materiaal', meent hij. Regels veranderden in vrijheid.

Steeds weer onderzoekt Cragg op beperkte schaal de 'geologie en geografie', de metamorfose die materialen kunnen ondergaan en hun dans in de ruimte. In de fabriekshal waar hij als jongen werkte, hebben destijds elektromotoren hem geïmponeerd: als roodgloeiende bonken kwamen ze de grond uit om daarna ter afkoeling in het zand te verdwijnen. Hij zou beelden maken die verrekt veel aan zo'n motor doen denken.

Geef Cragg een dobbelsteen in handen, en hij maakt een uitdijend landschap met welvingen, uitstulpingen en kraters, samengesteld uit - jazeker - alleen maar ivoorkleurige dobbelstenen. Met hun vele duizenden tezamen, behoedzaam in rondingen gerangschikt, doen ze denken aan een gepolijste ijswand, die toegetakeld door dooi en winden, zich als een dolende uit de golven kan verheffen.

Of neem nu een ronde schaal, waarvan de klei nog nat is, knijp hem dubbel, druk hem gedeeltelijk plat en draai de vorm dan een kwartslag om. Eenmaal opgevoerd tot een grootte van zo'n anderhalf bij drie meter, daarna in brons gegoten, staat er ineens een onverzettelijke, maar sierlijke golf op de grond, rustend op een plastische bilpartij. Niemand wil er omheen zonder onderzoekend een blik naar binnen te werpen. Want de matzwarte verf die de golf toedekt, zaait verwarring. Zou het ding dan tòch van kneedbaar rubber zijn?

Die verwarring is weer zo'n typische ontdekking die niet alleen Cragg tijdens het maken een bijna sensueel genot moet geven, maar die ook later de tastzin van de toeschouwer in werking zet. Het is die zucht naar het experiment en de openheid voor wat toeval en materiaal aan onderzoekingen brengt, die zijn beelden stuk voor stuk tot een wonderlijk schouwspel maken, maar gelukkig net niet wonderlijk genoeg om zonder enig aanknopingspunt als 'grotesk' terzijde geschoven te worden.

Je krijgt hier het gevoel dat er voor Cragg nog een universum braak ligt. Zijn ondergrond van jeugdervaringen, baantjes in fabrieken en laboratoria, academie-jaren en lange reizen lijkt zo sterk mentaal en visueel verankerd, dat een tussenstand als in Beaubourg nu al doet uitkijken naar het volgende parcours van vormassociaties. En wie weet hoe bronsachtig parafine zich in de toekomst kan gedragen?

Een aantal beelden in Beaubourg, of equivalenten, stelde het Van Abbemuseum in Eindhoven al eerder tentoon (1989 en 1991). Het wijdde ook een verzorgd boek aan Craggs werk, minder compleet dan de catalogus van Beaubourg, maar beter geïllustreerd. 'From rubbish to rebus' heet een hoofdstuk in de huidige catalogus. Inderdaad, kort samengevat, wist Cragg aanvankelijk van smerig afval iets te componeren waar men nu peinzend omheen loopt. Vanaf dat nulpunt is hij consequent, linea recta en eigenwijs de ruimtelijke hoogte en de materiële diepte gaan verkennen: van jeugdland naar hommage.

    • Marianne Vermeijden