Plaatsvervangend voor Europa

Alles is politiek, maar politiek is niet alles.

Zo luidt de titel van een boek van prof. H.M. Kuitert, dat een jaar of tien geleden verscheen. In een parafrase daarvan zouden we sinds de val van het socialisme kunnen zeggen: alles is markt, maar de markt is niet alles.

De markt is niet alles, maar de markt heeft wel een fijne neus voor wat sterk of zwak is in de wereld. Eénmaal per jaar komen coryfeeën van de wereldmarkt bij elkaar in het Zwitserse Davos op een forum, dat ook belangrijke politici - niet in de laatste plaats uit ex-communistische landen - en journalisten trekt.

Dit jaar was het thema van het forum: 'de wereldeconomie in het jaar 2000'. Welke economie zal dan de sterkste zijn? Op die vraag luidde het antwoord van de deelnemers bijna eenstemmig: de Verenigde Staten. Ook Duitsland, Japan, China en zelfs India konden, zij het slechts enkele, stemmen trekken.

In elk geval was Frankrijk niet bij de top, wat aan één Amerikaan, onder grote hilariteit van het publiek, de vraag ontlokte, gesteld aan de president van de Bank van Frankrijk: “Zou Frankrijk al een provincie van Duitsland zijn?” De verslaggever van Le Monde vermeldt deze anekdote, die hij kenmerkend vond voor de hele sfeer op dit forum.

“Verdeeld, gedemoraliseerd en vol terughouding jegens de regels van de 'wereldklasse' heeft Frankrijk in Davos van zichzelf een zeer weinig gunstig beeld gegeven, het beeld van een klein land dat aarzelt te duiken in het grote zwembad van de globalisering.” Het is een beeld dat veraf staat van het beeld dat Frankrijk van zichzelf heeft en dat het de wereld graag wil geven.

Het staat ook in schril contrast tot het beeld dat president Chirac kort tevoren, tijdens zijn bezoek aan de Verenigde Staten, de Amerikanen heeft willen geven.

Tekenend was dat tijdens zijn rede voor het Congres er slechts een kleine dertig van de 435 leden van het Huis van Afgevaardigden en slechts 25 van de honderd senatoren aanwezig waren, en de meeste afwezigen waren heus niet uit protest tegen de Franse kernproeven weggebleven.

Nee, ze vonden Frankrijk niet belangrijk genoeg.

Hoe sterk ook de verleiding voor Nederlanders mag zijn om zich, in het licht van de abrupte afzegging van Chiracs bezoek aan Nederland, te verkneukelen over dit affront jegens Frankrijk: het was óók een affront jegens Europa. Europa is, in de ogen van de Amerikaanse wetgevers, gewoonweg niet belangrijk genoeg meer om zich te derangeren.

Dit werd de Europeanen enkele dagen later nog eens extra ingepeperd door de Amerikaanse diplomatieke duizendkunstenaar Richard Holbrooke die zei dat, terwijl president Clinton aan de telefoon hing met Athene en Ankara, de Europeanen letterlijk waren blijven slapen. Hij zinspeelde natuurlijk op de ruzie tussen Turkije en Griekenland over één onbewoond rotsblok in de Egeïsche Zee. Na Bosnië was dit wel een zeer kras blijk van Europese impotentie.

Onuitgesproken, maar daarom niet minder duidelijk, stak in Holbrooke's woorden de dreiging dat, als de Europeanen er niet spoedig in zouden slagen zelf orde in eigen huis te scheppen, zij niet alleen niet blijvend zouden mogen verwachten dat de Amerikanen het wel zouden opknappen, maar ook de Amerikaans-Europese veiligheidsrelatie wel eens in gevaar zouden kunnen brengen.

De geringe aandacht die Chiracs woorden in de Verenigde Staten kregen, moet dus ook gezien worden als een symptoom van de groeiende ergernis die Europa bij de Amerikanen wekt. Wat dat betreft heeft Frankrijk, paradoxalerwijs, bereikt wat het altijd heeft gewild: plaatsvervangend voor Europa te zijn.

Maar ook objectief gezien is het moeilijk, zeker na Bosnië, niet sceptisch te reageren wanneer Chirac voor het Congres pleit voor een “meer gelijk deelgenootschap” tussen een Amerikaanse en een Europese pijler. Waar is zelfs het begin van een Europese pijler te bespeuren? De Amerikanen laten zich niet langer afschepen met mooie Europese praatjes.

Het is in zekere zin tragisch dat dit president Chirac moest overkomen. Hij is immers de meest pro-Amerikaanse president die Frankrijk sinds decennia heeft gekend.

Na een jaar dat hij als jongeman in Amerika doorbracht, is hij door dit land, zelfs (voor een Fransman uiterst zeldzaam!)

door de Amerikaanse keuken, bekoord gebleven. Hij spreekt ook, anders dan zijn meeste voorgangers, heel behoorlijk Engels - vol van amerikanismen.

Als die liefde onbeantwoord blijft of niet een reactie opwekt die verder reikt dan zijn eigen persoon, zou zij wel eens in haar tegendeel kunnen omslaan. De lage opinie die de wereldmarkt van Frankrijk blijkt te hebben - een opinie die in elk geval niets met liefde of haar tegendeel te maken heeft - zou soortgelijke reacties kunnen opwekken.

De afzegging van Chiracs bezoek aan Den Haag zou daarvan een eerste teken kunnen zijn. Het is immers een bekend verschijnsel dat de smaad die van sterkeren ondervonden wordt, vaak aan zwakkeren vergolden wordt. Er spreekt weinig Europese geest uit. Of zou het de geest van het Europa van de toekomst zijn?

    • J.L. Heldring