Op advies van makker Picasso; Grofmazige beschouwingen van Ivo Michiels

Ivo Michiels: Daar komen scherven van. Uitg. De Bezige Bij, 318 blz. Prijs ƒ 44,50.

'Ik zal het niet nodeloos ingewikkeld maken'. Dat beloofde Ivo Michiels zijn lezers in De vrouwen van de aartsengel (1984), het eerste deel van zijn op tien delen begrote cyclus Journal Brut. De crux zit hem natuurlijk in het woord nodeloos, dat de schrijver alle vrijheid geeft om desgewenst het ingewikkeldste proza op papier te zetten. En ik denk dat hij, zonder overdreven veel gelezen te worden, die naam ook heeft. Maar moeilijk, of ingewikkeld, dat is het woord niet bij Michiels. Het is het geheel dat bij hem complex is, niet zijn taalgebruik, of zijn zinsbouw of de manier waarop hij iets vertelt. Het probleem is meer hóe je zijn werk moet lezen. Per hoofdstuk, per alinea, per zin of per woord desnoods? Of moet je toch proberen de associatieve lijn die hij volgt vast te houden en op die manier te achterhalen wat de bedoeling is van het project dat je aan het lezen bent? Want bij alle schijnbare ordeloosheid ervan, valt zijn werk uiteen in een paar grote projecten, die weer uiteenvallen in thematische subprojecten.

Maar verder is het de vraag hoeveel bedoeling Michiels precies heeft en hoe sappel men zich daarover moet maken. Niet voor niets heet de cyclus waar hij nu al twaalf jaar mee doende is Journal Brut. Het is een grofmazig soort dagboek, waarin alles ondergebracht kan worden wat voor de schrijver op een of andere manier van belang is, of is geweest. Een openhartig of chronologisch gerangschikt dagboek moet men zich daarbij niet voorstellen. Men leert er Michiels vooral in kennen als schrijver, die volop experimenteert met zijn autobiografische materiaal, nu eens luchtig en anekdotisch, dan weer programmatisch en essayistisch. Want hij houdt er niet van zich vast te leggen. In zijn laconieke beginselverklaring uit het eerste deel kondigde hij al aan zichzelf te zullen herhalen als dat zo uitkwam: 'Ik zal ook niet aarzelen, andere teksten die voor dit boek zijn geschreven en misschien al een beetje bekend zijn (-) hun definitieve bestemming te geven'.

Van het nieuwe, zevende deel van de cyclus, Daar komen scherven van, is maar liefst tweederde 'misschien al een beetje bekend'. Het betreft hier de tekst van het muziektheaterstuk Scherven dat een jaar geleden op vliegveld Ypenburg werd opgevoerd en een verzameling essays uit de jaren zeventig. Verhalende beschouwingen zijn het over beeldende kunst, waaraan ontmoetingen ten grondslag liggen met de betreffende kunstenaars, 'de makers' zoals hij hen liefdevol aanduidt, een gilde waartoe hij ook zichzelf en andere scheppers rekent. Het piepkleine gesprek dat hij in de zomer van 1957 voerde met Picasso, aan de Zuid-Franse kust, is hier uitvergroot tot een beslissend moment. 'Continuer, mon ami, il faut continuer' hield hij Michiels voor, die toen nog aan Het boek Alfa moest beginnen.

In dit boek geeft hij zich rekenschap van het belang dat zijn kunstbroeders (want het zijn allemaal mannen) voor hem en zijn werk vertegenwoordigen. Daarbij hoopt hij de grenzen tussen de verschillende kunsten te overschrijden en 'uit scherfjes herinnering' zelf schilderijen te maken. Erg mooi zijn die schilderijen helaas niet geworden. Het werk van de bewonderde kunstenaars blijft in de meeste gevallen een duistere aangelegenheid, omdat hij er merkwaardig genoeg zowel te persoonlijk als te ónpersoonlijk over schrijft. 'Een summum van picturale epure', verzucht hij over de verschillende fasen in het oeuvre van de Vlaamse schilder Jef Verheyen, na een rommelige impressie van diens leven en werkwijze. Ongrijpbaar zijn ook de observaties over onder anderen Alechinsky en Fontana. Het maakt weer eens duidelijk dat het niet altijd mogelijk is om in taal ook maar bij benadering hetzelfde uit te drukken als in een schilderij.

Iets vergelijkbaars doet zich voor bij de muziektheatertekst Scherven, dat het hier moet stellen zonder muziek en zonder acteurs. Veel van zijn evocatieve kracht gaat daarmee verloren. De kale woorden hebben iets onmachtigs, iets treurigs bijna. De verzekering van de regisseur aan de schrijver dat de acteurs zijn tekst 'vraten', doet daar niets aan af.

Daar komen scherven van wil een eerbetoon zijn aan de kunstenaar, aan 'dit God-stralen van diepin'. In de inleiding spreekt hij over 'het feest van de makers' en in een lange uitleiding, 'Het nakaarten', neemt hij het woord 'blij-taal' in de mond. Al dat blijmoedige geschrijf over 'de makkers / de makers' heeft mij niet altijd evenzeer willen boeien. Voor de buitenstaander die de gemiddelde lezer nu eenmaal is, is het moeilijk om zonder meer te delen in de euforie over Vic, Paul, Guy, Jef, Dan, Marc, Albert, Lawrence, Günther, Ulrich, Piero, Daniel en Niki. Saai, dat is ook een beetje het woord voor deze opperst tevreden, en voor Michiels' doen zo weinig humoristische ode aan de creativiteit. Want hoezeer het ook gewijd mag zijn aan de kunst, een bevlogen boek is het daarmee niet geworden.

    • Janet Luis