Moeder en vader tegelijk willen zijn; De artistieke vrijheid in Torch Song Trilogy

De homoseksuele hoofdpersoon in het toneelstuk Torch Song Trilogy verlangt naar een monogame relatie en een kind. Sommige critici hebben de Amerikaanse auteur Harvey Fierstein voor de voeten geworpen dat zijn stuk heteroseksuele idealen propageert, anderen zagen er een universeel liefdesverhaal in. Fierstein bleef erop wijzen dat zijn stuk toch echt homoseksueel was, 'en dat neem je niet van me af'.

De Nederlandse versie van Torch Song Trilogy, met Paul de Leeuw als Arnold, gaat in de regie van Eddy Habbema op 17 febr. in première in de Stadsschouwburg in Amsterdam en is t/m 30 juni op tournee. Interview-citaten ontleend aan Playboy, Time Out en New York Native.

Zijn zachtblauwe pantoffels met de konijntjes erop, die in close-up zo vrolijk met hun oortjes wapperen als hij haastig de trap afloopt - die tekenen Arnold Beckoff. Zijn moeder draagt ze net zo, en nu hij een kind in huis heeft genomen, wil hij immers moeder en vader tegelijk zijn. Hij is weliswaar een realist die eigenlijk niet kan geloven in blijvend geluk (“A thing of beauty is a joy till sunrise”), maar diep in zijn hart hunkert hij naar romantiek en naar de bedaarde vanzelfsprekendheid van het huwelijksleven van zijn ouders. En ook al vindt hij zichzelf een tuthola als hij in bed de foto van zijn door potenrammers vermoorde geliefde tegen zijn borst klemt, toch wil hij liefde en respect en erkenning van zijn verdriet.

Hij is, kortom, een homoseksueel met een hang naar de normen en waarden die men doorgaans associeert met de heteroseksuele wereld. Hij heeft zelfs medelijden met zijn ouders, die zich wel eens zullen hebben afgevraagd of zij ergens in zijn opvoeding iets verkeerd hebben gedaan. Misschien dat hij daarom zo veel tegenstrijdige reacties heeft opgeroepen.

Natuurlijk is Arnold, als de hoofdpersoon in Torch Song Trilogy, een fictief personage. Maar over Harvey Fierstein, de man die hem schreef en speelde, is voldoende bekend om in Arnold een afsplitsing van zijn schepper te zien. Hij heeft het ook in talloze interviews gezegd, als hem voor de voeten werd geworpen dat hij in feite een conservatief-heteroseksueel ideaal propageerde en geen reëel beeld van de homoseksuele mores gaf. Misschien niet nee, zei hij dan, maar het is toevallig mijn ideaal - en trouwens, zoiets als een uniforme homoseksueel bestáát helemaal niet. “Daarom is het ook onmogelijk spreekbuis te zijn voor de homoseksuele gemeenschap. Wij zijn alles, wij zijn alle mogelijke soorten mensen.” En: “Wat me altijd het meest ergert, is dat anderen het recht menen te hebben om mij te vertellen wat ik moet doen. Ik hou niet veel artistieke vrijheid over als alles wat ik doe, wordt beschouwd als een statement namens de homoseksuele gemeenschap.”

Harvey Fierstein (1954) komt, als zoon van een zakdoekenfabrikant en een onderwijzeres, uit de nette middenstand van joods Brooklyn. Dat hij homoseksueel was, wist hij al op zeer jeugdige leeftijd: “Ik viel op jongens sinds ik vijf was. Ik zag Gone with the wind en viel op Clark Gable. Dus eerst dacht ik dat ik Vivien Leigh was, maar dat klopte niet helemaal. Toen moest ik daar diep over nadenken.” Voor zijn ouders ging de gezinsband vóór, dus verstoten werd hij niet. Wel heeft zijn moeder, net als Anne Bancroft in de verfilming van het stuk, nooit begrepen dat er in een homoseksuele relatie sprake van gevoelens kan zijn. Maar hij kan voor zulke moeders ook begrip opbrengen. Niet voor nietsgeeft hij de moeder van Arnold het excuus in de mond, dat ze hem nooit heeft horen zeggen dat hij van iemand hield - alleen maar dat hij nu eenmaal gay is. Hoe kon zij dan weten hoe hij zich voelde?

Een kushand

Op zijn vijftiende trad Fierstein al op in een travestietenclub (met een persiflage op de flamboyante Ethel Merman) en een jaar later debuteerde hij als astmatische lesbiënne in het toneelstuk Pork van Andy Warhol. Maar als regulier acteur kreeg hij weinig werk; de meeste regisseurs vonden hem te evident nichterig en die stem van gemalen steenkool hielp evenmin. Vanaf zijn twintigste schreef hij zelf stukken: “Het is een oude theatertraditie dat mensen die voor bijna geen enkele rol geschikt zijn, gefrustreerd raken en voor zichzelf rollen gaan schrijven.”

The International Stud, het stuk dat later het eerste deel van Torch Song Trilogy zou worden, werd in 1978 uitgebracht door het theatercollectief La Mama. Zelf speelde Harvey Fierstein de hoofdrol: de travestiet Arnold, die verslingerd is aan torch songs - het sentimentele musical-repertoire uit de jaren twintig en dertig - en in malicieuze bewoordingen zijn verlangen naar de grote liefde uit: “I want more out of life than meeting a pretty face and sitting down on it.” Een monogame relatie, en dan samen een kindje, is wat hij het liefst van alles wil. Net als Fierstein, die vaak vertederd heeft verteld over zijn eerste homoseksuele rolmodel: een stel dat al dertig jaar bij elkaar was. In het toneelstuk komt de grote liefde in de vorm van de blonde hartedief Ed, die echter al snel zegt bi-seksueel te zijn en tenslotte kiest voor samenwonen met een vriendin. Ook dat was een autobiografisch gegeven.

Deel twee volgde een jaar later. Daarin brengt Arnold met een nieuwe geliefde een gespannen weekend door op het boerderijtje van zijn ex-vriend Ed en diens vrouw. En een half jaar nadien was de trilogie compleet. In deel drie is Arnold, na de moord op zijn vriend, weer alleen. Nu staat hij op het punt een (homoseksuele) jongen van zestien te adopteren - een kind met een verscheurd verleden, dat het best kan gedijen in een omgeving waar homoseksualiteit geen problematisch gegeven is. En ook Ed is weer in de buurt; hij is, al of niet tijdelijk, van zijn vrouw af.

Na het off Broadway-succes van de drie losse voorstellingen verhuisde het project in 1982 onder de verzamelnaam Torch Song Trilogy naar Broadway. Het leverde Fierstein twee Tony Awards op, voor de beste hoofdrol en het beste stuk. Tijdens de rechtstreekse tv-uitzending baarde hij opzien door in zijn dankwoord ook zijn toenmalige vriend te betrekken. Sindsdien staat hij, tegen wil en dank, bekend als homo-activist - met als gevolg dat hem in interviews zelden of nooit vragen worden gesteld over het schrijven van toneelstukken of de kunst van het acteren, maar bijna altijd over Aids, homofobie en soortgelijke kwesties. De verfilming volgde in 1988.

Die film, geregisseerd door Paul Bogart, herinnerde ik me als een vrolijke valse-nichtengeschiedenis met een aandoenlijk einde. Nu ik hem terugzie, valt me vooral het conformisme van Arnold Beckoff op, en de genuanceerde manier waarop de moederrol voor Anne Bancroft is geschreven. Natuurlijk lijdt ze aan een stereotiep vooroordeel. Maar als haar tenslotte het besef is bijgebracht dat zij niet de enige is die weet wat het betekent te rouwen om een gestorven echtgenoot, stuurt ze haar liefhebbende zoon bij het afscheid een kushand die de totale acceptatie betekent. Arnold is dan ook, met zijn goeie bedoelingen en zijn gepijnigde grijns, een jongen die je een aai over zijn bol gunt. Je wilt hem gelukkig zien.

Het is bijkans een ideale situatie waarin de schrijver zijn personages uiteindelijk achterlaat. De moeder en de zoon zijn weer verenigd, de vriend is waarschijnlijk terug en de geadopteerde zoon is onder de hoede van Arnold een frisgewassen jongen geworden met een positieve kijk op het leven. Hij doet een beetje denken aan de zoon uit de eveneens door Fierstein geschreven musical La Cage aux Folles, die aan het slot beseft dat de homoseksuele vriend van zijn vader - óók een travestiet - een betere moeder voor hem is geweest dan zijn eigen moeder.

Harvey Fierstein heeft intussen nogal ambivalent gereageerd op de juichende kritieken die hij van de Amerikaanse recensenten kreeg. Enerzijds heeft hij zijn uiterste best gedaan om de homoseksuele Arnold een voor heteroseksuelen herkenbaar waardenpatroon mee te geven, maar anderzijds verzet hij zich tegen de conclusie dat hij gewoon een universeel liefdesverhaal heeft geschreven: “De heteroseksuele critici hebben er een hit van gemaakt. Maar omdat ze heteroseksueel zijn en een rechtvaardiging moesten vinden voor het feit dat ze waardering hadden voor een homoseksueel stuk, hebben ze het op hun eigen heteroseksuele termen beoordeeld. Ze schreven dingen als: het is niet echt homoseksueel, het gaat over het gezin en over respect en zo...” En elders: “In elk interview in de drie jaren dat Torch Song op Broadway stond, heb ik gezegd: dit is een homoseksueel stuk. En dan zei de journalist: het is niet homoseksueel, het is universeel. Nee, herhaalde ik dan, het is homoseksueel. Maar homo's zijn ook mensen en jij, als heteroseksueel, kunt het stuk ook begrijpen, omdat we allemáál mensen zijn. Maar het is een homoseksueel stuk en dat neem je niet van me af.”

In die visie heeft de videotheek, waar ik Torch Song Trilogy huurde, de band terecht in de afdeling Gay & Lesbian staan. Maar het is ook begrijpelijk dat ik hem aanvankelijk gewoon zocht in de rubriek algemene films uit Amerika.