La Mamma

Zo'n half slapeloze nacht. Ik had mijn lichaam zonder pijn en ongemak neergelegd, mijn brein gezuiverd van obsessies en verheugde mij op de slaap.

Lauw loene met de klep.

“Ach, de vrezen zijn zonder tal”, dichtte H. Marsman, en uit angst voor vrezen besloot ik na te denken. Over wat? Mijn broer en ik, brave kinderen, lagen in bed en vroegen elkaar: “Wil jij al slapen?”, antwoordden: “Nee, zullen we praten?”, zeiden: “Ja, waarover?, antwoordden: “Over zwemmen.”

Het lichaam heeft geen geheugen. Het zou zich zo graag herinneren dat het van zwemmen hield. Over zwemmen bleek weinig te praten, en we sliepen.

In vrede zocht ik een onderwerp. Juist in die staat van net niet, nog niet droomt de rede soms interessant. Ik had kort geleden Der Zauberberg van Thomas Mann doorgekeken, en doezelde over Mynheer Peeperkorn, de 'persoonlijkheid'

die alle wijsgerige discussies van tafel veegt, onontkoombaar zichzelf. Ik vroeg mij af of ik 'persoonlijkheden' had leren kennen, weifelde, wist niet in wat voor categorie ik bewonderde vrouwen en mannen moest onderbrengen. Of ik wakker ben of slaap, ik kan niet denken, mijn gedachten golven zowat, nergens naar toe, en het harde begrip 'persoonlijkheid' dobberde tot het als een dweil verzonk.

Wat nu? In mijn halfslaap sprong de vrolijke gedachte op dat de dieren die ik had gekend van nature persoonlijkheden waren, kleiner van stuk dan Mynheer Peeperkorn, maar net zo afgerond als hij. Ik besloot tot sentiment.

De gesoigneerde foxterrier Fian in het ouderlijk huis, in Rotterdam, voor de oorlog. Nerveus, graag in gezelschap. Zij maakte 's morgens in haar eentje een wandeling. Ik ben haar vaak tegengekomen op het trottoir van de Statensingel waar wij woonden. Zij keek op, ik nam mijn hoed af, wij vervolgden onze weg.

De poes Charlotte in mijn eigen huishouden. Zij liep 's avonds om half elf met mijn vrouw mee naar de slaapkamer. Om twaalf uur kwam zij de zitkamer binnen waar ik voor een essay het werk van Leopold von Sacher-Masoch las, sprong op een roman over gegeselde minnaars, spon. Wij gingen voor een jaar op reis, zij kreeg onderdak bij vrienden die haar wilden houden, en logeerde nog eens bij ons. Zonder aarzelen hervatte zij haar gedrag van een jaar geleden. Sacher-Masoch had ik uit.

De hond Arabis, op het Griekse eiland Aegina, over wie ik zo vaak heb verteld dat ik mijn verhaal niet meer geloof. Ik raffelde het af, sentimenteel en geërgerd omdat ik niets aan mijn herinnering kon toevoegen. Ja, hij stond ineens in mijn kamer in het huis in de pistache-boomgaard, keek mij aan, kwispelde, benoemde mij tot baas, zuiverde de boomgaard van katten, nodigde mij uit om te gaan wandelen. Ik was na maanden wandelen uitgewandeld, en hij dwong mij iedere dag de kust langs. De prachtigste zeegezichten met wolken en zonnerood dank ik hem. Hij dwong mij de zee in. Op 5 december 1961 zwom ik voor het laatst met hem. Mijn lichaam helaas herinnert het zich niet. Een persoonlijkheid? De trouwe vagebond uit een jongensboek.

De kat van decennia later in een ander huis in het dorp Aegina. Ik leerde haar kennen toen ik erg gespannen was, slecht van lichaam, dol van Grieks licht, Griekse hitte, Griekse ontmoetingen. Een sjofele lapjeskat van middelbare leeftijd. Zij woonde met haar gezin op mijn binnenplaats en de binnenplaatsen van de buren in een smalle straat waar bromfietsen zo lawaaiig mogelijk doorheen raasden. Niemand had haar een naam gegeven, niemand had haar geaaid.

Een soeverein katteleven, de mens was er voor voedsel. Angst, respect, sympathie voor onze soort had zij niet. In de hete middag lag zij op de koelste plek op haar rug, de tepels beschikbaar voor kinderen en kleinkinderen.

Zij lette op. Toen een kleinkind de grote acacia achter het huis inklom, stuntelig, raakte het verstrikt in een waslijn. Zij redde het. Haar dochter leerde ze dat ze als de keukendeur openging zo snel mogelijk langs de mensenbenen naar binnen moest glippen. Een Griekse vriendin bracht een hooligan van een hond mee, het gezin stoof weg. Zij niet. De hond, met moeite vastgehouden, blafte bevend van razernij. Zij kromde haar rug, blies, sprong hem feilloos op zijn nek. Hij jankte stompzinnig. Dat liedje 'La Mamma', gezongen door Charles Aznavour en Corrie Brokken, over een zojuist gestorven oude zigeunerin. De kat zou na haar dood zo hartverscheurend moeten worden geëerd.

Ik sliep waarschijnlijk toen ik nadacht over de sterke persoonlijkheid van de kat. Mijn denken werd een droom, mijn droom een nachtmerrie. Die hitte, de herrie van bromfietsen, die rotbeesten. Ik herinnerde me met een stuip van schrik dat ik de kat één keer 's nachts binnenshuis had aangetroffen, languit, luxueus slapend in de leunstoel waarin ik overdag zat te lezen. Door dat liedje had ik haar vereenzelvigd met mijn grootmoeder, lang geleden gestorven, en dat was mij te ver gegaan, zelfs in mijn Griekse overspanning, ik joeg haar weg. Nu, eindelijk wakker na zoveel slapeloosheid, wist ik weer dat de vrezen zonder tal zijn, zoals Marsman zegt, en de droom van de rede monsters baart, zoals Goya zegt.

    • Alfred Kossmann