Kans op nieuwe vijandelijkheden in Bosnië

De opbouw van de internationale politiemacht in het voormalige Joegoslavië stagneert. De spanning tussen de bevolkingsgroepen neemt toe. Minister Voorhoeve werd gebriefd op het IFOR-hoofdkwartier.

SARAJEVO, 16 FEBR. Als de hulp voor wederopbouw en de internationale steun voor een politiemacht zo slecht op gang komt als in deze eerste zeven weken na het 'duurste bestand van deze eeuw' dan is de kans op nieuwe vijandelijkheden in Bosnië groot.

Dat kreeg minister Voorhoeve (Defensie) gisteren te horen op het hoofdkwartier van IFOR (Implementatiemacht Bosnië) in Sarajevo. Volgens de Nederlandse politieke adviseur van de Amerikaanse bevelhebber admiraal Leighton Smith, jhr. P. Feith, zijn de laatste dagen spanningen ontstaan binnen de Federatie van Kroaten en Moslims, en tussen de Federatie en de Bosnische regering. Zo ook in Bosnische steden waar stukken terrein en huizen moeten worden overgedragen en op lager niveau in de deelgemeenten van Sarajevo. Daar moet de Servische politie verdwijnen en moet de Bosnische regering straks zorgen voor de veiligheid van de burgers, bijgestaan door internationale politiewaarnemers, van wie er nog veel te weinig ter plekke zijn.

Om deze reden, zegt Feith, zijn de premiers van Bosnië, Kroatië en Servië uitgenodigd voor een topconferentie dit weekend in Rome. “Aan het glibberen zoals dat in de tijd van de Verenigde Naties hier gebeurde moet meteen een eind komen. Geven we op één punt toe dan kan het weer mis zijn. De partijen hebben zich in Dayton verplicht om hun afspraken na te komen. In Rome moet dat opnieuw worden bevestigd”.

Voor die politiemacht in Bosnië zijn 1700 buitenlandse adviseurs nodig. Er zijn er 200 aangekomen van wie een aantal slecht Engels spreekt en weinig internationale ervaring heeft opgedaan. Nederland is bereid 50 marechaussees naar Bosnië te zenden, maar over de datum van hun vertrek bestaat bij het VN-bureau in Sarajevo nog geen duidelijkheid. Dat geldt ook voor aanbiedingen uit andere landen. Zo onstaat er een stagnatie bij de uitvoering van het akkoord van Dayton die de burgerbevolking argwanend maakt.

Feith constateert dat er ook meningsverschillen opspelen binnen de Bosnisch-Servische gemeenschap. Vanuit het hoofdkwartier van Pale komen er wel nog steeds zeer strikte instructies, maar op lager niveau wordt er allereerst pragmatisch gehandeld. Dat geldt ook voor militaire samenwerking. Ook zie je, volgens Feith, dat er verschil in aanpak begint te ontstaan tussen de Serviërs, die onder het hoofdkwartier van Pale vallen, en de Serviërs die zich aangetrokken voelen tot het Bosnisch-Servische leiderschap uit Banja Luka. Het uitblijven van wederopbouwhulp is volgens Feith te wijten aan de lange procedures van internationale hulporganisaties. De Wereldbank bijvoorbeeld wil praten over effecten op lange termijn, terwijl het nu alleen gaat om noodhulp om de stad weer enigszins leefbaar te krijgen, wegen en bruggen te repareren, telefoon, waterleiding en gas- en elektriciteitsdistributie verder te herstellen en de lichte industrie en het vervoer op gang te helpen.

Van de 500 miljoen dollar hulp die is toegezegd, is pas een klein deel beschikbaar. De internationale donoren lijken telkens eerst op de ander te willen wachten voor zij projecten goedkeuren en hulpgelden overschrijven. Hulp uit de Verenigde Staten en Japan blijft tot nu toe achter bij de steun uit islamitische landen. Als straks op 18 april de strijdende partijen hun soldaten terug in de kazernes hebben gebracht en de politie de taak van militairen heeft overgenomen zal de taak van de 60.000 militairen van IFOR ook lichter worden. Nederland is bereid dan militairen in te zetten voor kleine ontwikkelingsprojecten. Daarvoor is een half miljoen gulden beschikbaar. Voor een operatieterrein van 5000 vierkante kilometer is dat volgens de Nederlandse militaire leiding een miniem bedrag, maar Voorhoeve kondigde aan dat “de Pronkpotten nog verder open kunnen”.