Het kan niet dat hij dood is; Het pop-appeal van Paul van Ostaijen

Toen ze op school kennismaakten met de poëzie van Paul van Ostaijen dachten Dirk van Weelden en zijn klasgenoten dat zij zijn werk beter begrepen dan hun leraren. Volgende week, op 22 februari, is het honderd jaar geleden dat de Vlaamse dichter werd geboren. “We herkenden ons in de koortsachtige eenzaamheid, die Van Ostaijen bezong met beelden van fakkels, opzwepende muziek, natte koude huid en vrouwen die dansten en hun geslacht lieten wiegen in zijn zielespel.”

“Salvation army! Bananas atque Panama! De man heeft gelijk! Hij heeft gelijk! Gelijk heeft hij jawel! Jawel! Jawel! Waarom?! Wie zegt dat?! Waar is het bewijs?! Jawel hij heeft gelijk! Panem et Singerem! Panem et Singerem! Panem et Singerem! Singerem! Singerem! Singers naaimasjien is de beste!!”

Voor een tot theater omgebouwde gymnastiekzaal vol ouders, docenten en medeleerlingen stond ik het gedicht van Paul van Ostaijen te brullen, unisono samen met een paar vrienden. Het was de eerste keer dat ik op een podium stond en kippevel kreeg van het geweld van de woorden die ik de zaal in slingerde. Het mocht een gedicht zijn dat ouder was dan enig van de aanwezigen, je zag dat ze ervan schrokken. Wat ook opzien baarde was de jongen, uitsluitend gekleed in een juten lendedoek, die was uitgelicht in een met ruwe planken beklede hoek van het toneel. Hij zat op een keukenstoel aan een lege tafel en reciteerde Vers 6 uit de Feesten van Angst en Pijn. “Ik wil beproeven naakt te zijn. Bloot wie weet wel gevroren purper en bleekheid. Is zo niet het gans beginnende begin. Ik wil niets weten. Ik wil niet vragen waarom ik niet werd een postzegelkollectioneur. Ik zal beginnen mijn débacle te geven. Ik zal beginnen mijn faljiet te geven. Ik zal mij geven een stuk gereten arme grond. Een vertrapte grond. Een heidegrond. Een bezette stad. Ik wil bloot zijn en beginnen.”

Het zag er behoorlijk pijnlijk uit en een van de weinige dingen die ik me van die schoolavond herinner is dat ik met kwaadaardig plezier merkte hoe met de stem van de jongen de ontzetting zich verspreidde door de zaal van de Christelijke Scholengemeenschap. De avondvullende voorstelling speelde zich af binnen het raamwerk van een Music Hall en alle gedichten werden als varieté-act aangekondigd door een spreekstalmeester. Het kan zijn dat ik het er later heb bij verzonnen, maar er was volgens mij nog een meisje in een tutu, met nylon elfenvleugels, die de 'Zeer kleine speeldoos deed' ('hang de bel aan een ring en de ring aan je neus Amarillis') en besloot met de Berceuse no. 2, die eindigt met 'reuzeke rozeke zoetekoeksdozeke. Doe de deur dicht van de doos. Ik slaap.'

Bij die laatste woorden lag ze ineen gevouwen op het podium als een ballerina die een gestorven zwaan verbeeldt. Ik geloof niet dat we ons die avond schuldig hebben gemaakt aan het zingen van Van Ostaijens gedichten, maar het onvermijdelijke 'Boem Paukeslag' en het door een megafoon geschreeuwde 'Grote Zirkus van de Heilige Geest met het wereldberoemde trio Godsdienst Vorst en Staat', waren er in opgenomen. Het ging er die avond niet om onze leraren Nederlands te plezieren en braaf cultureel te doen in plaats van quasi-kritische cabaretnummers over de conciërge of de rector uit te voeren. We wilden ons Paul van Ostaijen toeëigenen en zetten de rauwheid, het nachtleven van kroegen en hoeren, de satire en de weerloze wanhoop in zijn werk flink aan. We wilden dat de keurige christelijke ouders en leraren schrokken van Paul van Ostaijen. En van ons, natuurlijk! Hoe had het zo ver kunnen komen, vraag ik me vandaag af, ter gelegenheid van zijn honderdste geboortejaar.

Lugubere gedachte

Toen ik van het bestaan van Paul van Ostaijen (geboren in 1896) hoorde, zou hij tegen de tachtig hebben gelopen. Maar dat was hij niet, zo vertelde men mij er bij, want hij was al in 1927 overleden. Er zijn er die het goed bij zijn werk vinden passen dat hij niet oud is geworden. De gedachte aan een tachtigjarige Van Ostaijen is, en dat werd al eens eerder opgemerkt, een lugubere gedachte. Maar dat heeft er natuurlijk veel mee te maken dat we ons niet kunnen voorstellen wat hij tussen 1928 en zijn tachtigste verjaardag geschreven zou hebben. Laat staan hoe het hem vergaan zou zijn. Ten slotte zijn wij Paul van Ostaijen niet.

Toen ik voor het eerst zijn werk begon te lezen bekroop mij meteen het gevoel dat het niet goed klopte dat de schrijver dood was. Mij was wel eens opgevallen dat er werk van levende schrijvers was dat zich liet lezen alsof ze al dood waren. Of beter, dat ze nog leefden terwijl ik het las was niet iets dat zich als waarschijnlijk of zelfs belangwekkend opdrong. Een bizarre gedachte goedbeschouwd, aangezien het zonneklaar was dat Van Ostaijens werk helemaal thuishoorde in de tijd van de Eerste Wereldoorlog en de avant-gardes uit de jaren twintig. In wat er in de eerste dertig jaar van de eeuw gebeurd was op het gebied van beeldende kunst, film en literatuur was ik vreselijk geïnteresseerd tijdens mijn middelbare schooltijd. In de boeken die daarover gingen figureerden dan oude heren en bejaarde dames. Dat kwam ook omdat de belangstelling voor de oude avant-gardes stamde uit de jaren zestig, toen alle helden nog net in leven waren. Aan die foto's kon je zien hoeveel tijd er verstreken was sinds hun roemruchte jaren. Paul van Ostaijen was stil blijven staan als jonge man. Kon dat de reden zijn dat zijn werk voor mij als zestienjarige zo dichtbij leek en zijn dood-zijn erbij vloekte?

Dat het iets met de vereenzelviging met de schrijver te maken had werd duidelijk bij de schok die optrad toen ik zijn handschrift zag. Net als al mijn schoolvrienden was ik dichter. Niet om vriendinnetjes mee te imponeren, maar heel ouderwets puberaal serieus. Iedere avond schreef ik bladzijden lang in mijn dagboek en krabbelde aan mijn gedichten. Dat deed ik al sinds mijn dertiende en tegen de tijd dat ik Van Ostaijen onder ogen kreeg, sleutelde ik aan cycli van tientallen bladzijden. Ik herschreef ze en tikte ze uit. Samen met mijn vrienden belegden we vervolgens poëzie-avonden in de koffiebar in de fietsenkelder van de school. De voordracht vond plaats in een gepast halfdonker. Op de achtergrond klonk het meditatief voort-orgelen van de Soft Machine of een ambient-plaat van Brian Eno. Als het gedicht voorbij was stak de dichter, gezeten op een barkruk, waardig zijn hand op en dan wist zijn kameraad aan de volumeknop dat hij een tiental seconden lang de muziek moest laten aanzwellen, tot de dichter zijn volgende gedicht voor zich had.

Knobbelig

Natuurlijk had ik wel eens handschriften van schrijvers gezien. Niet in het echt, maar in boeken of tijdschriften. Zonder uitzondering kwamen ze ernstig en volwassen over, zeg maar gerust letterkundig. Hoe anders was het handschrift van van Ostaijen zoals ik het onder ogen kreeg in de facsimile-uitgave van zijn Feesten van Angst en Pijn! Verloren in het wit, knobbelig gevormd en onzeker gespatieerd. Hij schijnt eens geschreven te hebben dat hij vanwege zijn handschrift ongeschikt was voor een kantoorbaan. En ja, dit was niet het handschrift van een standaard volwassene, iemand die mee kon doen in de wereld van zaken, contracten en geld. Het leek ook niet op de manuscripten van de letterkundigen die ik gezien had. Eerlijk gezegd deed het me nog het meest denken aan mijn eigen handschrift, al even beroerd en wiebelig sinds de eerste klas lagere school.

'Kind zoek ik te schuilen er is geen hoek / waar ik goed huiveren kan', las ik en behalve dat ik zulke hartekreten had willen schrijven besloot ik dat het mijn letters hadden kunnen zijn. De gewaarwording van een fysieke versmelting deed denken aan het moment dat je je gitaar in andermans versterker plugt en na een vluchtig draaien aan de knoppen verrast werd door een bekend geluid: John Lee Hooker! Zijn geluid was in je handen. Wat eerst alleen in je oren, in je hoofd gebeurd was, de vereenzelviging met de klank, een favoriet nummer, gebeurde nu in je vingers, in je meetrillende lijf.

Misschien kwam de geestdrift om Van Ostaijens werk op de schoolavond op te voeren en dat zo zelfverzekerd en heftig te doen wel voort uit dit soort momenten. Volgens mij waren we er van overtuigd dat we Paul van Ostaijen beter begrepen dan de leraren van wie we hem moesten bestuderen. Zij mompelden over de context van de Vlaamse letterkunde, over Pauls dandyisme, zijn beïnvloeding door het expressionisme en het verblijf in de bruisende wereldstad Berlijn. Maar behalve verklarend klonk het mij ook excuserend in de oren. Alsof alleen de nagelaten gedichten er toe deden en al het voorgaande alleen in historisch perspectief te pruimen was. Eigenlijk dus voor ons te moeilijk, was de suggestie.

Maar bij mij en mijn dichtende vrienden deed Pauls expressionistische heftigheid geen tenen krullen. We herkenden ons in de koortsachtige eenzaamheid, die Van Ostaijen bezong met beelden van fakkels, opzwepende muziek, natte koude huid en vrouwen die dansten en hun geslacht lieten wiegen in zijn zielespel. En we hadden een oprecht puberaal ontzag als er stond: 'ik steek de dolk tussen mijn borsten in mijn lijf / dat is geen Wonder en toch / Nu / sterf ik omdat mijn dans / sterft / draag mij weg zolang mijn lijf warm is.' Leek het niet sterk op de teksten van de bands die we grijs draaiden? Was het niet de vervolmaking van onze eigen heftige gedichten? Beschreef hij niet de vervreemding van eigen voeten en handen, de krankzinnige uitvergroting van visuele en akoestische details wanneer je veel hajsies gerookt had? Dichtte hij er niet over hoe het was om het gevoel te hebben binnen in het overdonderende ritme van de muziek te zitten in plaats van er van buitenaf naar te luisteren? Dat waren onze ervaringen en dus was Paul van Ostaijen van ons.

Moeilijk was hij helemaal niet. Zeker niet de zogenaamde experimenten met typografie uit Bezette Stad, ze waren glashelder. Als er stond: 'Visé marsj Luik mortieren / marsj mortieren / Puppchen Du bist mein Augenstirn / Puppchen mein liebes Puppchen / HEIL DIR IM SIEGERKRANZ / defilé van één dag en één nacht door Brussel / Armee von Kluck / jef jef jef 'ne Zeppelin / kruip al gauw de kelder in / eins zwei eins zwei eins zwei eins zwei / Pruisies Pruisies / marsj mortieren'; dan lazen we dat als de soundtrack bij een razendsnelle film. We zagen de mensen wegkruipen, de krantekoppen voorbij schieten, de soldaten marcheren en hoorden ze zingen. En dat hij zijn persoonlijke lyriek over het leven in bezet Antwerpen vorm gaf door filmsterren, reclamekreten en flarden kroeggesprek of imitaties van autogeraas en trams op te voeren, dat kwam op mij niet zo experimenteel over. Zo bestonden heel wat vreemde steden voor mij, in films, op de televisie. Drukte niet de schilders Jasper Johns en Robert Rauschenberg en Warhol zich zo uit, door fragmenten van het leven op straat, uit tijdschriften en van reclameborden te assembleren en te bewerken tot een eigen beeld?

Avantgardist

Zo kom ik in de buurt van een antwoord op de vraag waarom we ons Paul van Ostaijen zo driftig wilden toeëigenen en waarom ik het niet vond kloppen dat hij dood was als ik hem las. Het had te maken met iets dat alleen had kunnen gebeuren door het verstrijken van die grofweg vijftig jaar tussen zijn dood en onze schoolavond. Van Ostaijen was destijds een einzelgänger en een avantgardist geweest, een vernieuwer in de Nederlandse literatuur, op wiens bijdrage met vrucht gestudeerd werd door letterkundigen. Maar tegen de tijd dat wij hem gingen lezen hadden zijn mentaliteit en de stijlmiddelen waarvan hij zich bediende onmiskenbaar pop-appeal gekregen.

Van Ostaijens taal swingde en hij ontleende zijn beelden aan de straat, de moderne wereld, zonder dat het gebruik ervan diende als het bewijs van literaire theorie. Hij wilde er zijn lezers direct mee raken, ze omarmen met de beelden en geluiden die ze kenden. Hij verstopte zich niet in de schone letteren maar bleef zijn geluid veranderen, tot hij bedriegelijk heldere liederen maakte. Hij drukte een woede en een directe betrokkenheid bij de tragiek en banaliteit van het alledaagse leven uit, die je kunt afdoen met weltschmerz, maar die ons volledig overtuigde. Zonder op te treden, zonder een James Dean-imago te hebben, zonder uit zijn jaren twintig te hoeven stappen, kon Paul van Ostaijen jong zijn in onze ogen als we hem lazen. Ik heb nooit de behoefte gevoeld een biografie of verhandelingen over zijn werk te lezen. Daarom zal ik in de ogen van de gestudeerde liefhebbers de arme Paul hier wel flink onrecht aandoen. Ik heb alleen willen vertellen hoe dat in de canon van de Nederlandse Letteren bijgezette oeuvre kan gaan werken in de bevlogen, lichtelijk barbaarse koppen van zestienjarigen. Als straks Nederlandse rappers van de Osdorp Posse de messen-moordenaars gedichten uit de Feesten van Angst en Pijn plunderen moet niemand raar opkijken.

Tot slot mijn favoriete gedicht van Paul van Ostaijen, waarbij muziek of filmbeelden overbodig zijn.

Geologie

Diepe zeen omringen het eiland diepe blauwe zeen omringen het eiland gij weet niet of het eiland van de sterren is daarboven gij weet niet of het eiland van de aardas is diepe zeen diepe blauwe zeen dat het lood zinkt dat het lood zoekt en zinkt zoekend zoekend zijn eigen zoeken en al maar door zinkt en al maar door zoekt diepe zeen blauwe zeen diepe blauwe zeen diepblauwe zeen zinken zoeken naar de omgekeerde sterren tweemaal blauw en tweemaal bodemloos Wanneer vindt het blauwe lood in de blauwe zee de groene wier en de koraalrif Een dier dat door het leven jaagt naar een gedachte vrede - een wanen in duizend duizendjarige sellen - gelijk een dier dat jaagt en aan zijn blinde vingers vindt alleen het herhalen van het gedane doen gelijk een dier zo zo zinkt het lood des zeemans Moest dit zinken langs uw ogen zijgen gij kende niet een groter leegheid

    • Dirk van Weelden