Een opsomming van 1,7 kilo; Annalen van de operagezelschappen in Nederland

Het heeft in ons land nooit ontbroken aan opera, wel aan geschiedschrijving op dit gebied. De 1276 pagina's van de nu verschenen 'Annalen' vullen het manco maar zeer ten dele op: een karige historie van de Nederlandse opera vanaf 1886 vol hiaten. “In feite is er al ten minste drie eeuwen opera in Nederland'.'

Annalen van de operagezelschappen in Nederland. Uitg. Theater Instituut Nederland, Amsterdam. Prijs: ƒ 150.- (ƒ 125,- in de foyer van het Muziektheater, Amsterdam.)

Een hele generatie Nederlandse operaliefhebbers is er vast van overtuigd dat met hun eerste stap over de drempel van het Amsterdamse Muziektheater de geschiedenis van opera in Nederland begon. De opening van 'de Stopera' in september 1986 betekende immers dat Nederland voor het eerst een echt theater voor opera kreeg, eeuwen na elk ander beschaafd land in de wereld? Columnisten, die nooit eerder over muziek hadden geschreven, toonden zich na de geruchtmakende bouw van het Muziektheater op slag vurige pleitbezorgers van het genre opera. Zelfs het Groot Operaboek van Leo Riemens hoopte in 1989 nog, wat Nederland betreft, in de toekomst melding te kunnen maken van “opera in zijn mooiste vorm: op het toneel.” In latere drukken is die zin er terecht uitgehaald.

Is opera werkelijk een recent modeverschijnsel? Natuurlijk niet, er is in Nederland altijd ruimschoots opera geweest, in tal van theaters. Dat bewijst de uitgave van de Annalen van de operagezelschappen in Nederland, samengesteld door het Theater Instituut Nederland in samenwerking met de Nederlandse Opera.

Het boek is 1,7 kilo zwaar, fraai gebonden in wijnrood fluweel en voorzien van twee leeslinten, en somt de professionele opera-, operette en musicalprodukties op die in ons land werden gegeven van 1886 tot en met 1995. In totaal zijn dat er 5057. Dat betekent dat er de laatste eeuw per jaar gemiddeld zo'n vijftig muziektheaterprodukties in ons land werden gegeven. Voor het aantal voorstellingen moeten we dat aantal nog vermenigvuldigen met een factor x, die we - waarschijnlijk te laag - op tien schatten. Opera gaat meestal een keer of tien, operette en musical worden veel langer doorgespeeld. Elk jaar zijn er dus gemiddeld minstens vijfhonderd voorstellingen in ons land, al meer dan een eeuw lang.

Wie durft met dit naslagwerk in handen nog langer te spreken over het ontbreken van een 'operatraditie' in dit 'calvinistische' land, dat uitsluitend symfonische muziek zou waarderen?

Miskenning

Het heeft ons land nooit ontbroken aan opera, wel aan degelijke documentatie en geschiedschrijving op dit gebied. Er zijn slechts enkele boeken over dit onderwerp. Het compleetste is nog steeds De opera in Nederland (1946) van Bottenheim, in 1982 nog eens gepubliceerd met een aanvulling over de naoorloogse tijd. Het Gedenkboek van de Wagnervereeniging (1934) is een overzicht van repertoire en artiesten ter gelegenheid van het vijftig-jarig jubileum. En Een noodzakelijke luxe is een niet compleet overzicht van het repertoire van de Nederlandse Opera in de jaren 1971-1986, uitgegeven bij het afscheid van intendant Hans de Roo.

Een schrikbarend gebrek aan kennis heeft geleid tot volledige miskenning van de Nederlandse operageschiedenis. Wat zou het mooi zijn geweest als de Annalen inderdaad het laatste en onaantastbare woord waren over opera in Nederland. Helaas is dat niet het geval.

De geschiedenis van opera in Nederland is heel wat langer en rijker dan hier blijkt uit dit overzicht van de jaren 1886-1995. Zelfs een kort overzicht van de geschiedenis vóór 1886 ontbreekt. Dat leidt ertoe dat de hedendaagse operaliefhebber die de Annalen leest, geneigd is te denken dat de geschiedenis van opera in Nederland dan wel niet in 1986 aanving, maar precies een eeuw voor de opening van het Muziektheater.

In feite is er al minstens driehonderd jaar opera in ons land. En het Amsterdamse Muziektheater was ook niet het eerste theater dat speciaal voor opera in ons land werd opgericht. Dat operatheater stond aan de Amsterdamse Leidsegracht, geopend in 1680, door Theodoro Strijker - de zoon van de Amsterdamse consul in Venetië die daar operaliefhebber was geworden. Zijn theater, een van de eerste operatheaters buiten Italië, hield het overigens slechts 53 weken uit, één jaar en één week.

In dat theater van Strijker lag ook de oorsprong van het Nederlandse operacomponeren: daar ging De triomfeerende min in première- gecomponeerd door de Zuid-Nederlandse Carolus Hacquart op een tekst van Dirk Buysero. De allegorische opera betekende de officiële viering van de Vrede van Nijmegen, die in 1678 een eind maakte aan de in het 'rampjaar' 1672 door de Fransen begonnen oorlog. Stadhouder Willem III en zijn echtgenote Mary kwamen uit Den Haag om de Amsterdamse voorstelling te zien.

Het failliet van de opera van Strijker was niet het gevolg van gebrek aan Hollandse belangstelling voor opera. Het Amsterdamse gemeentebestuur had Strijker een exceptioneel hoge vermakelijkheidsbelasting opgelegd. Die moest dienen ter compensatie voor de verminderde toeloop naar de Stadsschouwburg - de Amsterdammers gingen inderdaad liever naar de opera dan naar het toneel. Met de verdiensten van de Schouwburg, die door de kerk werd beheerd, werd sociaal werk verricht: de zorg voor zieken, weduwen, wezen en ouden van dagen werd er van betaald.

Net als in de tijd voor de bouw van het theater van Strijker was er ook na de sluiting volop opera voor de Amsterdammers. In de Schouwburg veertig keer per jaar. En voor wie de vermakelijkheidsbelasting wilde vermijden was er opera buiten de stad: aan de Overtoom of in Buiksloot, aan de overkant van het IJ. Ook in andere steden, zoals Den Haag en Rotterdam, was er regelmatig opera te zien.

Concertante uitvoeringen

Het overzicht van opera in Nederland dat de Annalen biedt, begint pas in 1886, met de voorstelling van Gounods Faust door het Hollandsch Opera-Gezelschap van Johannes de Groot. De keuze voor dit 'begin van opera in Nederland' wordt in het veel te korte voorwoord wel genoemd, maar niet gemotiveerd. Het gezelschap legde de basis voor een lange reeks van 'nationale' opera's in ons land, uitmondend in de huidige Nederlandse Opera. De in het Nederlands gezongen Faust ging 48 keer in een altijd uitverkochte Parkschouwburg.

Evenmin wordt in Annalen inhoudelijk toegelicht waarom uitsluitend de geënsceneeerde voorstellingen van professionele gezelschappen zijn opgenomen. Concertante en semi-scènische opera-uitvoeringen blijven zo buiten beschouwing, terwijl ze in de Nederlandse operacultuur zeer belangrijke verschijnselen zijn. De serie semi-scènische Mozart-voorstellingen, die John Eliot Gardiner de laatste jaren tijdens het Holland Festival uitvoerde, behoorde tot het beste en interessantste dat ooit op operagebied in ons land is gepresteerd. Maar in het namenregister ontbreekt tussen Annette Gardenier en Peter Garding de naam van Gardiner.

Wat zou het bijvoorbeeld niet fijn zijn geweest hier een compleet overzicht aan te treffen van de concertante opera-voorstellingen die in 35 seizoenen zijn gegeven in de Matinee op de Vrije Zaterdag. Artistiek zijn ze van enorm belang en ze hebben dankzij uitzendingen in de hele wereld opera in Nederland faam bezorgd. De verzameling bandopnamen in Hilversum is zeker het belangrijkste deel van het Nederlandse opera-archief: in tegenstelling tot vrijwel al die andere vervluchtigde en vergeten voorstellingen, blijven ze te beluisteren. Italiaanse labels hebben een aantal ervan uitgebracht op cd.

De Annalen vermelden als eerste optreden van de Wagnervereeniging de scènische uitvoering van Siegfried in 1893 in het Paleis voor Volksvlijt. Maar de concerten van de in 1884 opgerichte Wagnervereeniging worden zo genegeerd. Het waren, onder leiding van Henri Viotta en vaak met medewerking van het Concertgebouworkest, evenementen van hoog artistiek niveau en daardoor van historisch belang.

De Wagnervereeniging groeide uit tot het artistiek meest ambitieuze Nederlandse operagezelschap. In 1905 veroorzaakte de Wagnervereeniging internationale sensatie door de toorn van Wagners weduwe Cosima te trotseren en Parsifal buiten Bayreuth uit te voeren. Later gaf de Wagnervereeniging voorstellingen in Londen en Parijs. In de jaren twintig werd de bouw van een operatheater voor de Wagnervereeniging tegenover het Concertgebouw nog ternauwernood voorkomen door Willem Mengelberg en de meerderheid van één stem in de Amsterdamse Gemeenteraad. Als die door J.F. Staal ontworpen opera daar nu al zeventig jaar had gestaan, zou men daarop in deze tijd waarschijnlijk even trots zijn geweest als op het Concertgebouw.

Onderlinge twisten

Dat zelfs deze Annalen in 1276 pagina's en registers nog een al te karig overzicht bieden van opera in Nederland, is een gevolg van een moeizame en lange voorgeschiedenis. Die liep uit op onderlinge twisten tussen de initiatiefnemer Peter Hulpusch, de nieuwe samensteller Piet Hein Honig, enkele adviseurs en de uitgever, het Theater Instituut Nederland. De begeleidingscommissie (prof. Reeser en Matinee-uitvinder Hans Kerkhoff) stapte op, ontevreden over de criteria.

Naast de hiaten en onhandigheden op het gebied van titelbeschrijving, valt ook de merkwaardige systematiek op. De operaprodukties zijn doorlopend genummerd, van 1 (Faust, 1886) tot en met 5057 (Un ballo in Maschera, 1995 door de Opera van Krakow). Een nummering per jaar of per seizoen had de mogelijkheid geboden later alsnog voorstellingen in te voegen. En natuurlijk had dit overzicht nooit gedrukt moeten worden. Het is nu al verouderd en wanneer komt er een supplement? Cd-rom en Internet zijn de eigentijdse middelen om zulk soort bestanden up to date te houden en voor iedereen toegankelijk te maken.

Toch brengen de Annalen van alles aan het licht dat miskend en vergeten is. Zo is er een overzicht uit te destilleren van het Nederlandse opera-componeren. In de laatste 107 jaar zijn 132 opera's geschreven en opgevoerd, van Catharina en Lambert (1888) van Cornelis van de Linden tot en met Esmee (1995) van Theo Loevendie. Opmerkelijk en vooralsnog moeilijk verklaarbaar is dat in de periode 1920-1965 er door Nederlandse zo weinig werd gecomponeerd: slechts twintig opera's.

Geen enkele van al die Nederlandse opera's heeft repertoire gehouden, uitvoeringen blijven veelal incidenten, ook als ze een enkele keer nog eens worden herhaald. Een goed voorbeeld is de opera op Heijermans toneelstuk Op hoop van zegen (1900). Componist en dirigent was Charles Grelinger, die ook L'arbre de Noël en Nicolas Nickleby schreef. De première van Op hoop van zegen op 9 maart 1907 in het Amsterdamse Paleis van Volksvlijt werd door de recensent Van Milligen zeer uitvoerig en gunstig besproken in het Algemeen Handelsblad, al maakte het geheel een te langdurige en niet altijd levensechte indruk.

In 1929 werd de opera nog eens uitgevoerd in de Haagse Koninklijke Schouwburg door de Nederlandsche Opera. De regie was van Esther de Boer-Van Rijk, de toen 76-jarige legendarische vertolkster van de rol van Kniertje in de toneelversie. Ondanks lof voor de regie en de goede bezetting werd het stuk vernietigend beoordeeld vanwege de oppervlakkig opgelegde Wagneriaans dramatische mystiek: “Deze muziek illustreerde dan ook waarlijk niets van het gegeven, maakte die eer belachelijk en lachwekkend.”

Hoe heeft Kniertjes beroemde frase 'De vis wordt duur betaald' geklonken? We weten het niet, de partituur is niet te vinden in de collecties met Nederlandse muziek. Wel bewaart het Nederlandse Theater Instituut nog het programmaboekje uit 1907 en een aantal foto's van de enscenering. Al is van deze opera verder alles vervlogen, de foto van de scène met Kniertjes wanhoop zorgt ook nu nog zonder muziek voor ontroering.