Een adagio van haaruitval

Toen Hans Dorrestijn de Mozart-biografie van Wolfgang Hildesheimer kocht, hield hij niet van Mozart en niet van biografieën. “In dat laatste bracht Hildesheimer verandering. Hildesheimer veegt de vloer aan met de ziekelijke gewoonte van biografen om bijvoorbeeld de belangrijke mineur-werken uit Mozarts Parijse periode toe te schrijven aan het overlijden van zijn moeder.” Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn geraakt.

Wolfgang Hildesheimer: Mozart. Uitg. De Arbeiderspers. Nog slechts bij enkele filialen van De Slegte leverbaar.

Rob Schouten: Carabas ontvlucht, Uitg. De Arbeiderspers, 58 blz. Voor ƒ 9,95 bij De Slegte.

Van uitgeversrestanten bij De Slegte moeten we geen drama maken. Een boek met bestaansrecht wordt tezijnertijd wel weer eens herdrukt, dus geen zorgen. Ik was dan ook niet cultureel verontwaardigd toen ik er Wolgang Hildesheimers prachtige Mozart-biografie aantrof. Integendeel, ik kon een gat in de lucht maar nauwelijks onderdrukken, want ik had het boek wel gelezen, maar niet in mijn bezit. Tien, nee misschien wel vijftien jaar geleden, kreeg ik het te leen van Willem Wilmink, die er de hele avond uit had geciteerd. Uit zijn hoofd uiteraard. (Benijdenswaardig, dat vermogen om hele passagas letterlijk te kunnen onthouden. Hoe geestdriftig ik ook over een boek mag zijn, als ik er uit wil citeren moet ik het erbij pakken).

Dat ik Hildesheimer van Wilmink leende, was om twee redenen meerkwaardig: 1) Ik hield niet van Mozart, 2) Ik las in die tijd geen biografieën. In dat laatste bracht Hildesheimer verandering. Ik begon meer componisten-biografieën te lezen, overigens in de meeste gevallen niet tot mijn genoegen, want er zit veel rotzooi tussen. Dat soort goedkope ellende waarin de biograaf zich al te makkelijk in het zieleleven van de componist verplaatst: “De toen vijftienjarige Frédéric Chopin zal wel vol weemoed uit het ruim van de koets naar het voorbijglijdende besneeuwde Poolse landschappen hebben gekeken, daarbij terugdenkend aan de voorbije heerlijke weken met zijn broer en zusters. Sporen van zijn emoties gedurende die treurige rit zijn onder andere terug te vinden in zijn Mazurka nummer twaalf, opus 13.” Het gros van de biografen kan de verleiding niet weerstaan om een adagio te verklaren uit huurschuld, haaruitval, bloedarmoede, verbroken verlovingen en andere ongemakken. Bij Hildesheimer treft men zulke rimram niet aan. Al valt zijn werk onder het hoofdstuk 'speurtocht naar de persoon van het genie', nergens brengt de schrijver de hoogte- en dieptepunten uit Mozarts particuliere leven in verband met zijn composities. Hildesheimer veegt de vloer aan met de ziekelijke gewoonte van biografen om bijvoorbeeld de belangrijke mineur-werken uit Mozarts Parijse periode toe te schrijven aan het overlijden van zijn moeder. Ik bedoel: de moeder van Mozart. Eigenlijk komt Hildesheimers biografie hierop neer: hoe men zich ook inspant, over de werkelijke gevoelens van Mozart komen we niets te weten. Mozart zelf blijft een raadsel, maar ook zijn muzikale denkproces blijft buiten ons bereik.

Hoe voortreffelijk het boek ook mag zijn, toch beoefent Hildesheimer een genre waar ik niet echt dol op ben. Eigenlijk vind ik pure levensbeschrijvingen minder interessant dan die werken waarin ook muziek-analyse wordt bedreven, al levert dat soms weer vaktaal op waardoor een betrekkelijke leek als ik maar een vaag vermoeden krijgt van wat er wordt bedoeld. Wat de vaktaal betreft, is Hildesheimer ook voor lezers zonder conservatorium geen probleem. Hoogstens stuit men op mededelingen als: 'de syncopenbeweging van de sonate in D-maleur (KV 7)' of 'de chromatische figuren van de sonate in G-majeur (KV 9)'. Zelfs al heeft de ongeschoolde lezer geen benul, het klinkt prachtig. Eigenlijk ben ik nu nog steeds bezig met de behandeling van punt 2: ik las geen componisten-biografieën, maar na Hildesheimer ben ik maar één werk tegen gekomen dat een nog diepere indruk op me maakte en wel Bach van onze eigen Hans Brandts Buys. Ik heb bij De Slegte nog rondgekeken of dat er misschien ook lag, maar dat bleek niet het geval. Het meesterwerk van Brandts Buys vertoont een groter evenwicht tussen persoonsbeschijving en muziek-analyse. Het is dus muziektechnischer en toch leest het vanwege de sobere stijl makkelijker dan Hildesheimer. Vergeleken bij Brandts Buys is Hildesheimer een mooischrijver met hier en daar al te fraaie volzinnen en daar ben ik geen dolle liefhebber van. Dat ik Brandts Buys prefereer, komt misschien ook doordat ik Bach beter begrijp dan Mozart. Ik weet, al zeg ik het zelf, meteen wat Bach bedoelt. Op de piano speel ik zelfs fuga's uit Die Kunst der Fuge redelijk van blad. Dat hoef ik bij een sonate van Mozart niet te proberen. Al studeer ik me een ongeluk, mijn Mozart klinkt erbarmelijk.

Hiermee zijn we toe aan de behandeling van het eerste punt: mijn gebrek aan liefde voor Mozarts muziek in de tijd dat ik Hildesmeier in één ruk uitlas. Een knappe prestatie. Van Hildesheimer. Overigens had zijn biografie niet onmiddellijk tot gevolg dat ik Mozart-gevoelig werd. Pas jaren daarna, luisterend naar de piano-concerten (KV 450, 451, 466, 503, etc.) hoorde ik de grootheid van zijn werk dat ik daarvoor alleen als hinderlijk getinkel had ondergaan. Toen ik bij De Slegte vergeefs op zoek was naar Brandts Buys, ontdekte ik wel een exemplaar van Vestdijks Keurtroepen van Euterpe (Verzamelde muziekessays deel 2). Nu houd ik ook al niet van Vestdijk, tenminste niet van de romancier, maar als schrijver over muziek is hij de overtreffende trap van Brandts Buys. Het beste essay uit de hele Nederlandse literatuur vindt men in de Keurtroepen van Euterpe. Het gaat hier om een verhandeling over Beethoven met een zo aangrijpende werking dat ik onmiddellijk herbegon aan zijn door mij doodgeluisterde symfonieën. Maar evenwel bewondering verdient Vestdijkse essay over het diabolische in de muziek van, alweer, Bach. Volgens W.F. Hermans mag Vestdijk dan wel niet voor zich hebben gezien wat hij schreef, hij had wel oren aan zijn kop, anders kon hij onmogelijk de maten 68 tot en met 72 uit de Gigue van de Vijfde Engelse Suite tot de demonische kern van dit werk uitroepen. (Ik heb het gecontroleerd en het klopte als een bus).

De Keurtroepen van Euterpe was trouwens een aanrader van Rob Schouten, de dichter van wie ik tenslotte bij De Slegte een bundel aantrof namelijk Carabas ontvlucht, met daarin negen op muziekstukken gëinspireerde gedichten waaronder het prachtige 'Het tuinfeest' (naar Le festin de l'araignée, opus 17 van Albert Roussel - Het feest van de spin).

Eens gaf de taal een tuinfeest voor bekenden

die daarop murmelend en ritselend kwamen

waarna het wachten was op de gastdame

en toen die niet verscheen op haar legende

die iemand hun omschreef als woordenkramen

en daar zij woorden waren danste men de

kraamster toe die aan het feest de wende

van een moordpartij lag te beramen.

Het feest werd daarna ongemerkt steeds stiller

een trage maar verschrikkelijke thriller

als tuinfeest echter zoetjesaan een giller

en een belediging van deze soort

zeker toen ook de dader werd vermoord

en stilte naliet aan het woord.

Er zit muziek in De Slegte.