Echt jonge minnaars hebben we nu niet in huis; Aus Greidanus over het beleid van Toneelgroep De Appel

Acteur en regisseur Aus Greidanus maakt sinds vorige maand deel uit van de artistieke leiding van Toneelgroep De Appel. Hij wil het succesrijke Haagse gezelschap vernieuwen maar niet radicaal veranderen. “Ik ken geen enkele acteur die alleen op z'n kamer lekker een uur gaat toneelspelen.”

De Toneelmaker is van 16 februari t/m 15 juni te zien in het Appeltheater, Duinstraat 6, Den Haag. Daarnaast zijn er van 1 mei t/m 1 juni reisvoorstellingen in het hele land. Inl 070-3502200.

Boven de deur prijkt een kruis en aan een muur hangt een vergeelde foto van Hitler. Ten behoeve van de voorstelling De toneelmaker, van de Oostenrijkse auteur Thomas Bernhard, is Studio I van het Haagse Appeltheater verbouwd tot een ranzig achterafzaaltje ergens in de Oostenrijkse provincie. Hier bereidt de oude theatermaker Bruscon zich voor op de uitvoering van een door hemzelf geschreven stuk. Met zijn ziekelijke perfectionisme kwelt hij zijn acteurs, bestaande uit vrouw en kinderen, en bovenal zichzelf: Bruscon is een dictator èn een gedreven kunstenaar, blootgesteld aan de vernederende ervaring zijn meesterwerk te moeten vertonen in het amper tweehonderd inwoners tellende gehucht Utzbach. Het trieste is dat zelfs Utzbach dit meesterwerk, Rad der geschiedenis geheten, niet te zien krijgt, want vlak voordat de voorstelling begint roept iemand in het zaaltje: 'Brand in de pastorie!' Het publiek rent naar buiten, de brand tegemoet, die een grotere aantrekkingskracht op de Utzbachers uitoefent dan de hoge kunst van Bruscon.

Bij De Appel, waar De toneelmaker op 23 februari in première gaat, vertolkt Eric Schneider de titelrol terwijl Aus Greidanus regisseert. Greidanus is als regisseur en acteur een van de gezichtsbepalende leden van Toneelgroep De Appel, sinds artistiek leider Erik Vos bekend heeft gemaakt dat hij het gezelschap zal verlaten om met pensioen te gaan. Vanaf 1 januari 1997 zal de 45-jarige Aus Greidanus samen met Aram Adriaanse Vos' functie overnemen. Dit jaar is hij zich al stevig aan het inwerken. Misschien, zo speculeer ik, wordt De toneelmaker Greidanus' artistieke credo; misschien wil hij, meer nog dan in zijn vorige ensceneringen, met deze voorstelling laten zien wat toneel voor hem betekent. Daarom ga ik kijken naar een repetitie - en raak ik verstrikt in een mensenkluwen die babbelend het ranzige zaaltje binnendringt. Opeens ben ook ik een Utzbacher. En we zitten nog maar amper op onze klapstoelen of we rennen alweer naarbuiten, om ons aan de brandende pastorie te vergapen.

Even behoorde ik tot de twee dozijn figuranten - verder allemaal spelers, technici en kantoormensen van De Appel - die Aus Greidanus nodig had voor een geluidsopname in de laatste scène van De toneelmaker, waarop opgewonden stemmen te horen zijn, en omvallende stoelen en voetstappen die zich haastig van Bruscon verwijderen.

“Aan de voorstelling zelf,” zegt Greidanus na de bandopname, “is de Toneelmaker dus helemaal niet toegekomen. Al zijn inspanningen, al zijn zenuwslopende voorbereidingen waren bij voorbaat tot mislukken gedoemd. En zo kun je ook het leven zien: één lange en zinloze repetitie. Thomas Bernhard is grimmiger dan Tsjechov, die altijd nog een perspectief aanbiedt. Ik val wel voor Bernhards cynisme, vooral omdat hij zelf in zijn stukken niet buiten schot blijft. Wie zo zwart over het leven denkt als hij, geeft ook de humor een kans. Een theatermaker, en dat heeft de maniakale Bruscon helaas niet begrepen, moet immers in de eerste plaats vergnügen. Want als je het publiek niet bereiken kunt, houdt het theater op te bestaan.”

Over gebrek aan publieke belangstelling heeft De Appel tot nu toe zelden te klagen gehad. In de kwart-eeuw van zijn bestaan wist het gezelschap niet alleen z'n oude publiek vast te houden maar daarnaast ook nieuwe toeschouwers binnen te lokken. Aus Greidanus, die al 22 jaar als acteur aan De Appel verbonden is en de laatste acht jaar tevens als regisseur, zegt peinzend: “Groepen als het Werkteater en Baal zijn ter ziele gegaan en wij niet: zij hadden weliswaar een eigen stijl, maar ze ontwikkelden zich veel eenzijdiger dan De Appel. Door in herhalingen te vervallen verschraalt dan heel snel het creatieve klimaat.” Een veelgehoorde kritiek op De Appel is dat het ensemble zo tóónéélmáátig speelt, zo vet, zo gewild-excentriek, zo ouderwets kortom.

Nieuwe generatie

“Toneelkritiek”, repliceert Aus Greidanus, “is aan trends gebonden. Er is altijd sprake van een golfbeweging: in de ene periode kan er bij De Appel niks fout gaan en in de andere kunnen we juist weer niks goed doen. Daar moet je als kunstenaar doorheen kijken.” Hij is niet van plan het roer radicaal om te gooien. “Wij waren en zijn een gezond gezelschap. En de laatste jaren hebben we bewezen dat we ook zonder Erik Vos als regisseur iets kunnen.” Hoewel het soms knap lastig is om de oudste toneelgroep van Nederland te zijn. “Steeds moeten we onszelf afvragen: hoe kunnen we elkaar na vijfentwintig jaar van hechte samenwerking nog inspireren? Die vraag doet zich in ieder huwelijk voor en het antwoord is een heel gevecht. We moeten enorm alert zijn, en ook signalen van buitenaf serieus nemen. Van Aram Adriaanse kunnen we vast het een en ander opsteken. Hij is zeer bedreven in het coördineren van ideeën omdat hij een theaterwerkplaats, de PaardenKathedraal, en een theaterplatform in Utrecht heeft geleid. Doordat hij niet de beschikking had over een ensemble had kon hij steeds weer nieuwe combinaties uitproberen.”

Greidanus wil een stuk of vijf jonge acteurs aantrekken, als aanvulling op de tien spelers van het oude, vertrouwde tableau. “We zullen gebruik moeten maken van die nieuwe generatie. Met dit ensemble kunnen we bijvoorbeeld geen Midzomernachtsdroom meer doen: echt jonge minnaars hebben we nu niet in huis.” Ook zal hij op zoek gaan naar toneelwerk van jonge schrijvers, al weet hij nog niet welke namen hij in huis gaat halen. “Als ik dat wist zouden die stukken er al liggen. Goede nieuwe stukken zijn er eigenlijk heel weinig. Het probleem is ook dat jonge schrijvers steeds op moeten boksen tegen de top van de wereldliteratuur. En dan komt die ouwe Shakespeare toch vanzelf weer regelmatig bovendrijven. Want zelfs als je dingen over het heden wilt zeggen, wordt in Hamlet of Macbeth beter de essentie geraakt dan in een middelmatig eigentijds stuk. Laat de nieuwe Fassbinders in Nederland alsjeblieft opstaan!”

Persoonlijk heeft hij een voorkeur voor de tragikomedie, voor 'humor in combinatie met stilte'. “Je komt dan uiteindelijk bij de clown terecht. De subtiele stijl van Charles Chaplin: dat raakt aan de eenzaamheid, de leegte, de dood, de macht.” Greidanus komt uit het acteursvak voort, uit de praktijk. Dat maakt dat hij anders werkt dan regisseurs met een academische achtergrond. Die laatsten, gelooft hij, concentreren zich in eerste instantie op de analyse van het stuk, op de taal. Greidanus daarentegen let vooral op de creatieve inbreng van de acteur. “Over speltechnieken hoef je mij niets meer te vertellen.” Hij neemt in zijn ensceneringen bewust de vrijheid om af te wijken van de regieaanwijzingen van de schrijver.

“Als je de kern maar raakt, dan is het goed. Je moet een stuk altijd naar het heden vertalen. Wat niet betekent dat ik koste wat het kost modern wil zijn of per se wil provoceren.” En hij voegt eraan toe, terwijl hij z'n gelaarsde voeten nonchalant over een stoelleuning drapeert: “Ik zal me nooit door modes de wet laten voorschrijven. Maar die mode dicteert wel dat je er zó uitligt als je niet vernieuwend genoeg bezig bent. Ik vraag me af of ik de kracht zal hebben om uit dit vak te stappen als ze me op een dag niet meer moeten. Een schrijver kan zelfs als niemand hem leest toch voor zichzelf schrijver blijven. Maar ik ken geen enkele acteur die alleen op z'n kamer lekker een uur gaat toneelspelen. Je bent enorm afhankelijk.”

Misschien zou hij architect zijn geworden als hij niet al zo jong het acteursvak was ingerold. “Eerlijk gezegd is dat toneel mij letterlijk met de paplepel ingegoten. Want toen ik zes jaar was werd mijn vader, samen met Erik Vos, leider van het Haagse kindergezelschap Arena. Vanaf mijn zesde liep ik dus al tussen de acteurs. De Frederikskazerne had een rekwisietenzolder en in mijn fantasie was dat een eindeloze ruimte vol beelden uit het theater. Uren heb ik daar doorgebracht.” Of misschien zou hij schilder geworden zijn. In zijn vrije tijd schildert hij hartstochtelijk. Hij houdt van het dadaïsme, een 'oerschreeuw tegen de oorlog', en van de schilderkunst rond 1600: ikonen, de Vlaamse primitieven, het Lam Gods van Van Eyck. Als acteur spreken hem vooral de middeleeuwen aan.

“Ik heb een zwak voor lelijke personages. Zelfs van de nobele Hamlet laat ik liever de lelijke, de wildere kant zien. Kunst toont altijd datgene wat door de norm wordt buitengesloten. Bij Brecht zijn het de hoeren die de waarheid spreken.” Maar, vindt hij, je mag het publiek de waarheid niet opdringen, net zomin als je de personages een eenduidig karakter mag geven. “Dan zou je de toeschouwer van zijn verbeeldingskracht beroven. Volmaakt theater is niet interessant, bestaat ook niet. Alleen het niet-kloppende intrigeert.”

Veel van dergelijke 'theaterwetten' heeft hij van Erik Vos geleerd. “Ik mag zijn visuele grollen wel, zijn theatraliteit. Hoewel míjn voorkeur uitgaat naar een iets cynischer, kouder, misschien wel gevaarlijker vorm.” Het besef zo'n sterke, markante voorganger als Erik Vos te hebben bedrukt hem weleens. “Het liefst zou ik volstrekt anoniem in een piepklein zaaltje met zes onbekende acteurs iets beginnen. Maar daarmee zou ik m'n eigen verleden ontkennen. Ik ben zelf ook onderdeel van De Appel die we met z'n allen hebben geschapen. Dit pand heb ik nog eigenhandig helpen kraken, ik heb zelf nog de muren van het theater geschilderd. Met z'n allen hebben we een schat aan ervaringen verzameld die niet verloren mag gaan. Maar net als elk ander gezelschap zullen we ons bestaansrecht elk jaar opnieuw moeten bewijzen.”