De winstbronnen van Philips zijn onevenwichtig verdeeld

EINDHOVEN, 16 FEBR. Tachtig procent van de 4 miljard gulden winst die Philips verdient voor belasting en rentebetaling komt uit twee activiteiten die samen goed zijn voor maar dertig procent van de omzet. De ene winstmaker is de meer dan 100 jaar oude productsector licht (1 miljard). De andere is de jeugdige componenten- en halfgeleiderssector, waarvan financieel bestuurslid D. Eustace graag mag vertellen dat Philips-critici een jaar of vijf geleden vonden 'dat-ie maar opgedoekt moest worden'. Vorig jaar goed voor 2,2 miljard gulden.

Deze twee divisies gaven Jan Timmer als afscheidscadeautje een record netto winst van 2,52 miljard gulden. Tot zover het goede nieuws. Want wat moet zijn opvolger, C. Boonstra, met die andere activiteiten, die goed zijn voor 70 procent van de 64 miljard gulden omzet en nog geen 20 procent van de bedrijfswinst opleveren? Saneren en bidden om economisch herstel. Het is vijf jaar geleden dat de Centurion-operatie van start ging om Philips te redden. Dat ging ten koste van tienduizenden banen. Nu is de officiële fase van revitalisatie in volle gang. Uit de winstgroei spreekt echter grote afhankelijkheid van twee sectoren. Philips weigert winstgroei te kopen. Het concern doet niet mee in het overnamegeweld in de internationale mediasector. De meeste overnamekandidaten zijn te duur, vindt Timmer. In uitbreiding in multimedia zoekt het concern zijn eigen weg. bpbpDe revitalisatie komt wel tot uiting in explosieve investeringslust: vorig jaar zo'n 5 miljard in gebouwen, machines en immateriele activa, zoals software en rechten. De miljarden gaan naar de sectoren die kapitaal slurpen, zoals componenten en halfgeleiders (semiconductors), en licht. Philips investeerde zoveel dat de bedragen de eigen interne middelen (de kasstroom van netto winst plus afschrijvingen) voor het eerst in jaren ver overschreden. De extra benodigde 1,5 miljard gulden kon Philips op de kapitaalmarkt lenen. Tegenover de investeringen staat de afbraak van onderdelen van het concern, waarvan het staken van de automatische verliesfinanciering met ingang van volgend jaar bij de Duitse Grundig de meeste aandacht trekt. Veel hoop voor herstel bij Grundig en de andere bedrijven in de consumentenelektronica - de grootste Philipsdivisie met bijna 22 miljard gulden omzet en 66.318 medewerkers - is er niet. Na aftrek van rentelasten is de divisie “marginaal renderend”, zei Eustace gisteren. De uit de hand lopende voorraadpositie van het concern doet zich daar nog eens extra voelen.

xpxpTimmer en Eustace lieten zich gisteren bij de presentatie van de jaarcijfers onverminderd somber uit over de afzetverwachtingen. De kopers in West-Europa staken en die in Amerika kopen wel, maar geen tv's, wel pc's (geen Philips-produkt). Timmer hoopt dat enkele sportevenementen (Olympische Spelen, Europees voetbalkampioenschap) de mensen in het land nog kunnen prikkelen weer eens een nieuw modelletje tv of video te kopen. Of de koopkrachtimpulsen van banenplannen van Duitse, Franse en Nederlandse politici van de grond komen of niet, Philips gaat door met zijn eigen plannen, die in de produktie van deze categorie produkten in West-Europa banen zal blijven kosten. Oost- en Midden-Europa zijn niet alleen goedkoper als produktielokatie, zij zijn ook zelf de nieuwe groeimarkten voor de verkopen. Voor Philips is het even slikken: de werkloosheid die deze saneringen, en die van andere multinationals (Daimler-Benz), op korte termijn oplevert, voedt de mineurstemming bij de burgerij die juist Philips-produkten moet kopen. Maar, zegt Eustace, doe je het niet, dan ben je nog slechter uit.

De onevenwichtige verdeling van de winstbronnen doet de vraag rijzen of Philips zich niet moet opdelen in verschillende bedrijven met elk een aparte beursnotering. Dat bedrijven zichzelf opbreken is in de Angelsaksische wereld bijna aan de orde van de dag. AT&T en General Motors besloten vorig jaar tot break ups of demergers. Twee weken geleden kondigde ook de Britse onderneming Hanson - de moeder aller conglomeraten - een splitsing in vier bedrijven aan. Bij een break up kan de belegger zelf beoordelen welke activiteiten hij in portefeuille wil houden en welke niet. Nu bepalen Timmer en de zijnen dat. De beurswaarde van Philips wordt getemperd doordat beleggers niet bereid zijn de winstgevende activiteiten naar werkelijke waarde te schatten wegens de “ballast” van de veel grotere, marginaal renderende zaken. Amusementsdochter Polygram staat al apart op de beurs, maar Philips heeft driekwart van de aandelen. Toeleverancier voor de chipsindustrie ASML daarentegen wordt volledig verzelfstandigd doordat Philips zijn aandelenbelang tot een kwart reduceert.

In de wandelgangen zei Eustace tegen het principe van deze redenering geen bezwaar te kunnen maken. Er zijn slechts enkele praktische bezwaren. “De eerste is de naam Philips. Lord Hanson bundelt bedrijven met allemaal eigen merknamen. Niet één heet zelf Hanson. Dat is bij Philips heel anders. Ik zou niet graag zien dat na een break up verschillende bedrijven de Philips-naam gebruiken. De tweede hindernis zijn fiscale en financiële overwegingen. Als bijvoorbeeld de sectoren licht, semiconductors, de rest van Philips en Polygram apart staan, moet iedereen zelf in zijn financiering voorzien. Dan kan het overtollige geld van de ene activiteit niet meer, zoals nu, voor de groei van een andere sector worden ingezet. De ene dochter kan ook niet meer van de fiscale positie (lees: verliescompensatie; red) van de ander profiteren. Ik moet er niet aan denken wat er met de divisie consumentenelektronica gebeurt. Die zou wegkwijnen. Dat kost tienduizenden banen. A social disaster.”