De grote tolerantie van jong jazz-talent

Concerten: Kwintet van pianist Gerard van Dongen, kwartet van trompettist Loet van der Lee. Gehoord: 15/2 BIMhuis en Heeren van Aemstel, Amsterdam. Van der Lee: 18/2 De Hooghe Gast, Purmerend, 21/2 Meervaart, A'dam.

Voor elke soort jazz bestaat een optimale situatie, een entourage waarin zowel de musici als de luisteraars zich 'senang' voelen. De ene stijl gedijt het best in een afgetrapt buurthuis, waar de koffie wordt geschonken door een oud-socialist, de andere vraagt om een ernstig en ademloos art house-publiek, een derde bloeit bij rinkelende glazen vol Weib und Gesang, en dat zijn nog maar enkele van de vele varianten.

Het kwintet van de Rotterdamse pianist Gerard van Dongen (28) speelde gisteren in het BIMhuis voor een doodstil publiek. Heel passend, want Van Dongen, die ooit voor een wiskunde studie naar Amerika vertrok maar met free jazz- ervaring terug kwam in Nederland, speelt muziek met heel veel 'gaten' erin.

Zelfs in een stuk met de titel Knoesten, opgebouwd uit uiterst hoekige staccato's, blijft de zaak daardoor ademen. Nog bescheidener in decibels is Listening to the Toilet, een gedicht voorgedragen door trompettiste Felicity Provan, heel abstract en summier omlijst. Dat Van Dongen zijn klassieken wel kent maar niet overmatig vereert, bleek uit een doordachte herschepping van de Thelonious Monk-compositie Little Rootie Tootie met aan het einde een vleugje stride-piano. Onbedorven componist, onconventionele pianist, laat de selfmade musicus Gerard van Dongen vooral doorgaan met zijn 'rare' muziek.

Trompettist Loet van der Lee, ook bijna 28, volgde anders dan Van den Dongen de formele weg: een studie aan het Hilversums Conservatorium. Voor de presentatie van zijn eerste cd, Going Walkabout (A Records), wil hij wat ongerief trotseren: een optreden in café Heeren van Aemstel aan het Amsterdamse Thorbeckeplein bijvoorbeeld. Voor de muziek is misschien een kwart van het publiek gekomen, de rest heeft het druk met zijn eigen zaken; de verkoop van een tweedehands Volvo of versiering van dames. In het op trompet gespeelde GP, lekker ruig en rafelig, komt Van der Lee er met enige moeite nog wel bovenuit. In de ballad Leaving waarin hij bugel speelt wordt het moeilijker; aan de straatkant van het café wordt iets gevierd met zang, waarbij de toonsoort van minder belang is dan het volume.

De trompettist geeft geen krimp en gaat vervolgens gewoon door met Gijs, een stuk van pianist Michiel Borstlap die net als hijzelf gewoon blijft lachen.

Puur muzikaal gezien is dat alles ook terecht: Van der Lee is een leuke trompettist met lef, Borstlap weet ook zijn zoveelste 'wrak' te laten zingen en drummer Joost Kesselaar speelt met een open oor voor alle nuances.

Wie ten aanzien van de nieuwe Nederlandse jazzmusici ooit het begrip nix-generatie in de mond nam, moet onmiddellijk zijn mond gaan spoelen. Het barst in Nederland van jong jazztalent en hun tolerantie is bewonderenswaardig.

    • Frans van Leeuwen