Burenroddel

Bzzlletin 231-232. Uitg. Bzztôh, 116 blz. Prijs ƒ 15. Grand Street 55, Egos. Uitg. Norton, 256 blz. Prijs ƒ 25,-

Zou het toeval zijn dat het portfolio in een nummer van Grand Street over ego's een 'Cock Book' is? Brigid Berlin, van Andy Warhol's Factory, vulde een goud-op-snee Topical Bible, een dummy, met honderden zelf of door anderen gemaakte af- en verbeeldingen van penissen. De spannendste van de in Grand Street afgedrukte is de bladzijde van Peter Hujar, omdat het vermoedelijk erg lang geduurd zal hebben voordat hij die paarse stempelinkt er weer af kreeg.

Het openingsartikel in dit nummer gaat over de kont van Josephine Baker. Suzan-Lori Parks beweert dat goede, echte Amerikanen niet van de grootste lichaamsspier houden omdat die naar achteren wijst, niet de vooruitgangsgedachte steunt. Een herwaardering van het achterste zou de Amerikanen meer historisch besef bijbrengen, gelooft ze. Josephine Baker moest naar Parijs om met haar achterwerk op de voorgrond te treden, en sprak 'The rear end exists. I see no reason to be ashamed of it. It's true that there are rear ends so stupid, so pretentious, so insignificant that they're only good for sitting on'.

Naar welke bijdragen het thema 'ego's' nu precies verwijst is eigenlijk een raadsel. Toch niet naar het interview met Nobelprijswinnaar Kenzaburo Oë en zijn meesterlijke verhaal J; of naar de stukken over de componisten Boulez en Messiaen; of naar de afgebeelde Zippo-aanstekers uit de Vietnamoorlog met ingegraveerde hartekreten als 'Let me win your heart and mind or I'll burn your god damn hut down'? Meer voor de hand liggend lijkt Susie Mee's 'Gospel According to Elvis': “Now Elvis's stature swelled and swelled until it became a giant shadow over the whole land. And many were confused and ran to take cover while others threw up their arms shouting joyful hallelujahs.”

De zwarte schrijver en activist Amiri Baraka schreef een 'Ne(gr)o Classical Tragedy', Othello Jr. of O.J over de O.J. Simpson-affaire. “All worked for / The Christians / & like them Jigs / you got the old / gig. In the arena / as entertainment for / Barbarians”. Elvis, O.J. en een paar penissen - te mager om een heel nummer 'Egos' te noemen.

Deze maand verschijnt de nieuwe roman van David Foster Wallace, die zo hilarisch debuteerde met The Broom of the System en vervolgens bijna tien jaar stil bleef. Een fragment uit Infinite Jest laat zien dat zijn stijl precies hetzelfde is gebleven; voortvarend, om niet te zeggen speedy, exuberant, grotesk, en trendy - “She drank Stolichnaya vodka in front of the TV. They weren't Cable Ready, for reasons of $.” Cool, is Wallace's adagium, het leed dat zijn hoofdpersoon aan de drank en naar de AA bracht houdt hij zorgvuldig onder de oppervlakte waardoor het uiteindelijk uitvergroot wordt.

Diep verstopt in een lang verhaal van de Engelse Alice Thomas Ellis zitten twee zinnetjes die met enige goede wil bij het thema 'ego's' passen: “Adam thought that women should be modest and - if not exactly mysterious - should keep their mouths shut most of the time”, en daartegenover “ 'I don't think any men are any good with babies', said Eve.”

Een dubbelnummer van Bzzlletin gaat over schrijvers wier ego's door de media in een oogwenk tot ongezonde proporties worden opgeblazen: jonge debutanten. Er zijn er teveel van en ze zijn lang niet allemaal even rijp of begaafd. 't Is allemaal de schuld van de uitgevers, vindt de literaire kritiek (Arjan Peters in 'Bezwaren tegen de uitgeefgeest van deze tijd'), en de uitgevers spelen op hun beurt de zwarte piet terug naar de media of de tijdgeest. Zó gretig zoeken uitgevers naar een nieuwe Donna Tartt dat haar Nederlandse uitgever in de haast háár foto plaatste bij de aankondiging van een boek van een andere nieuwkoomster. Geen vergissing van, maar wel een mét betekenis. Door het Tartt-effect heeft overigens niet alleen de liefst aantrekkelijke debutant(e) maar ook het genre 'literaire thriller' een reusachtige impuls gekregen. Josje Kramer en Arie Storm ondervroegen enkele recensenten, uitgevers en debutanten over de debuteerdrift, die gezien het titelaanbod voor komend voorjaar gelukkig alweer flink geluwd lijkt. De ondervraagden tonen zich allemaal even toegeeflijk en geduldig, niet een geeft nu eens ruiterlijk toe debutantenmoe te zijn geworden of gemaakt, behalve Arjan Peters.

Pieter de Nijs beklaagt zich in zijn stuk over de Generatie Nix over het gebrek aan verbeelding bij jonge auteurs wier proza al of niet terecht gepubliceerd werd. “Heeft dat iets te maken met de babbelcultuur van RTL en Endemol, met die eindeloze kletsprogramma's waarin de burenroddel is uitgegroeid tot massa-entertainment?”

Onze eigen Donna Tartt is natuurlijk Connie Palmen. Koen Vergeer las haar buitensporig veelgeprezen en -verkochte roman De wetten samen met De vriendschap als één debuut, waarin een te grote overgang van psychologische roman naar filosofisch traktaat zijn misnoegen wekt. Ook echte recente debutanten krijgen in dit dubbelnummer van Bzzlletin aandacht: Nanne Tepper, Frithjof Foelkel, Manon Uphoff, Arie Storm, Pierre Platteau, Simon Bottema, Marcel Maassen, Arjan Witte, Hans Sahar en als vreemde eend in de bijt Marijke Höweler (57) die debuteerde in 1964 en herdebuteerde in 1982. Alleen over Arjan Witte wordt een ronduit negatief oordeel geveld, de overigen worden genuanceerd of juichend besproken. Tepper, Uphoff, Foelkel, Platteau en Maassen: hen moeten we van Bzzlletin in de gaten houden.

    • Margot Engelen