Blowtje roken is gevaarlijker dan regering denkt

Het gebruik van cannabisprodukten als hasj en nederwiet is veel schadelijker dan in het algemeen wordt aangenomen, betoogt Sylvia Hosman-Benjaminse. Ook in de Drugsnota van de regering worden de gevaren onderschat.

De Franse president Chirac heeft grote moeite met ons drugbeleid en met name met onze hasj verkopende coffeeshops. En hij is niet de enige. Er is al lange tijd forse buitenlandse kritiek op de Nederlandse aanpak, of liever gezegd op het uitblijven van een aanpak van de wildgroei van coffeeshops. Pogingen ons gelijk te halen door het Nederlandse beleid uit te leggen, zijn weinig succesvol gebleken. De tijd is daarom rijp nog eens heel kritisch naar de uitgangspunten en de resultaten van het tot nu toe gevoerde beleid te kijken.

Voor een kritische herbezinning op de ingeslagen weg pleit nog een aantal andere argumenten dan de bezorgdheid van de buurlanden.

Ten eerste blijkt het gehalte THC, de werkzame stof in Nederwiet, inmiddels vele malen hoger te zijn dan in de tijd dat het beleid rond de coffeeshops werd opgesteld. Ten tweede is over de schadelijke bijwerking van het THC de afgelopen jaren meer bekend geworden en voor een aantal van de schadelijke effecten zijn met name jongeren kwetsbaar.

Naast de bijwerkingen zijn er bij-effecten van cannabisgebruik, zoals de gevolgen van het leven in een coffeeshop-scene. Ten derde is het cannabisgebruik door jongeren sterk toegenomen; onder scholieren is dit de afgelopen vijf jaar verdrievoudigd, aldus het op 14 februari door NOVA gepresenteerde cijfermateriaal van TNO/de Jellinekkliniek.

Zeker in hun onderlinge samenhang bekeken, zijn deze drie ontwikkelingen verontrustend. Ik zal dit nader toelichten.

De werkzame stof in cannabis is het THC, afkorting van delta-9-tetrahydrocanabinol. Vooral door Zweeds onderzoek is er nu meer bekend over de wijze waarop THC zich in ons lichaam gedraagt. Het is een vetminnende stof, die maar langzaam wordt uitgescheiden. De stof hecht zich aan de - kortgeleden ontdekte - cannabinoïdreceptoren. Deze ontvangorgaantjes zijn aangetoond op verschillende plaatsen in de hersenen die onder andere met het gevoelsleven, het geheugen en coördinatie te maken hebben.

En verder bevinden de cannabinoidreceptoren - van iets andere structuur - zich in de milt, een orgaan dat betrokken is in de afweer tegen infecties.

Nederwiet heeft door verbeterde kweekmethoden een groter gehalte aan THC verkregen. Bekend is dat naarmate de concentratie van THC hoger is, de ongewenste mentale bijwerkingen van de stof toenemen.

Psychiatrische bijwerkingen zijn: paniekreacties, depersonalisatie en psychosen. Uit meerdere studies blijkt, dat cannabis een onafhankelijke risicofactor is voor het ontstaan van psychosen. Een vorig jaar gepubliceerd Nederlands onderzoek toonde bovendien aan dat schizofrenie een aanzienlijk slechter beloop heeft bij cannabisgebruikers. Jonge tieners, forse gebruikers en psychiatrische patiënten lijken het meeste risico te lopen op psychiatrische bijwerkingen. Bij langdurig gebruik van cannabis zijn onder meer nog de volgende gezondheidsrisico's in de medische literatuur beschreven: het amotivationeel syndroom (met apathie en verlies van intellectueel prestatievermogen), vruchtbaarheidsstoornissen, verhoogde kans op astma, meer mond- en tongkanker bij jonge volwassenen en verminderde weerstand tegen infecties. Het effect van 'sociale' doses cannabis heeft ook risico's voor verkeersdeelname door verstoord besef van tijd en ruimte, van alertheid en door coördinatiestoornissen.

Het Amsterdams Drug Tijdschrift van mei vorig jaar maakte, sprekend over cannabisgebruik, al melding van “gegevens uit landelijk onderzoek, waar een forse toename werd geconstateerd”, zonder de cijfers te noemen. Wel werd een aantal gegevens uit de Amsterdamse Antenne-enquête vermeld, waaruit bleek dat van de Amsterdamse middelbare scholieren drie procent dagelijks cannabis rookt. Bij deze groep gebruikers spreekt men van een sociale verslaving. Dat er ook van lichamelijke afhankelijkheid sprake is blijkt uit het feit dat de onthoudingsverschijnselen na staken van langdurig cannabisgebruik vergelijkbaar zijn met die na staken van valium.

Over het 'experimenteren' van jongeren met cannabis wordt nogal eens laconiek gedaan. Echter de drie procent sociaal verslaafde gebruikers, de scholieren die elke dag onder invloed zijn, vormen wel een aanzienlijk deel van de destijds 15 tot 20 procent jongeren die ooit begonnen met experimenteren. Er liggen meestal enige jaren tussen het eerste gebruik en het dagelijks gebruik. Nu de nieuwste cijfers laten zien dat het aantal experimenteerders inmiddels is opgelopen tot 41 procent, is de komende jaren zeker nog een stijging van het aantal probleemgebruikers te verwachten. De kans op verslaving is dus eveneens een gezondheidsrisico van cannabis. De relativering dat degenen die verslaafd zullen raken toch ook andere psychosociale risicofactoren zouden hebben, is niet relevant. Immers bij de beslissing van jongeren (of eigenlijk moet je bij 11- tot 13-jarigen van kinderen spreken) te gaan experimenteren, zullen zij zich van hun eigen risicofactoren niet bewust zijn. Laat staan dat het van een afweging van deze risico's zal komen.

Het grote belang van het onderscheid tussen soft drugs en hard drugs zou de scheiding der markten zijn. Uit het Antenneonderzoek bleek dat van de stamgasten van de coffeeshops 17 procent regelmatig XTC gebruikt en 12 procent regelmatig cocaïne gebruikt, aanzienlijk meer dan gangbaar in hun leeftijdscategorie. XTC is een hard drug, die in ons land al verscheidene dodelijke slachtoffers onder jongeren heeft gemaakt. Cocaïne is minstens zo gevaarlijk en daarnaast sterk verslavend.

Kortom: cannabisgebruik, vooral het gebruik door jongeren, blijkt een veel groter gezondheidsrisico te vormen dan men in de jaren zeventig heeft vermoed.

Het valt te betreuren dat bovenstaande feiten en nieuwe ontwikkelingen niet, of slechts ten dele opgenomen zijn in de nota Het Nederlands drugbeleid, die in september vorig jaar verscheen. Deze nota beoogt immers een evaluatie van het drugbeleid te zijn en uitgangspunten aan te geven voor het toekomstige beleid. Het uitgangspunt was en blijft blijkens de nota: het “op grond van wetenschappelijke inzichten maken van een onderscheid tussen drugs met onaanvaardbare risico's voor de gezondheid en hennepprodukten, waarvan de risico's minder groot worden geacht (respectievelijk hard en soft drugs genoemd)”. Van een wetenschappelijke onderbouwing van het huidige inzicht in de gezondheidsrisico's van de zogenaamde soft drugs is in de nota geen sprake, hetgeen ook uit de literatuurlijst blijkt. Resultaten en achtergronden van een succesvol anti-cannabisbeleid, zoals in Zweden gevoerd, komen in de nota niet aan de orde. Het gevolg van dit alles is wel dat men op grond van onjuiste uitgangspunten op de ingeslagen weg wil voortgaan. De burger krijgt ten onrechte het idee dat het met de schadelijkheid van cannabis wel meevalt. In die sfeer is het moeilijk het cannabisgebruik van jongeren terug te dringen. Als burger, als moeder van opgroeiende kinderen en als arts met een neurologische achtergrond maak ik mij daarover ernstig bezorgd.

    • S.L. Hosman-Benjaminse
    • Neuroloog N.P