Bloot op sokjes en slofjes; Het schilderkunstig Esperanto van Balthus

De Franse schilder Balthus is geobsedeerd door opgroeiende meisjes. Hij schildert ze meestal met een ontwijkende blik in hun ogen, als Lolita's die niet beseffen wat voor uitwerking ze op hun omgeving hebben. “Het is alsof hij ineens is gaan beseffen dat er een in een gestreept kinderjurkje vermomde bijenkoning tegen hem aanleunt.”

De overzichtstentoonstelling van Balthus in het Museo Nacional Reina Sofia, Santa Isabel 52, Madrid duurt tot 1 april. Di t/m za 10-21 uur, zo. 10-14.30 uur.

Het begint eentonig te worden in de hemel. Het vliegtuig dat op weg is van Schiphol naar de luchthaven Madrid, biedt uitzicht op een panorama zonder enige diepte. Een wezenloos blauwe lucht strekt zich uit boven een dichte laag van ijzig witte wolken. De passagier die op de stoel naast mij zit, is in slaap gevallen en snurkt een beetje. Zijn bril heeft de barricade van de neusbrug reeds achter zich gelaten. Zijn mond staat een eindje open alsof hij een denkbeeldig hapje neemt terwijl zijn handen, waarvan hij de duimen achter zijn broeksriem heeft gestoken, als beschermende klepjes met vingerfranje op de zakken van zijn pantalon rusten.

Hij schrikt plotseling wakker, verontschuldigt zich in het Engels en knoopt een praatje met mij aan. Hij blijkt een in Madrid wonende natuurkundige die van mij wil weten wat het beroep ijsmeester inhoudt. Ik vraag hem op mijn beurt of er al artikelen in de Spaanse pers zijn verschenen over de zojuist in het Madrileense museum Reina Sofia geopende overzichtstentoonstelling van de Franse schilder Balthus. Hij zegt nog nooit van Balthus te hebben gehoord maar dat hij de expositie zal gaan bekijken. Als het vliegtuig is geland, overhandigt hij mij zijn visitekaartje. Ik lees dat hij gespecialiseerd is in optica.

Een overzichtstentoonstelling van de nu bijna 88-jarige schilder Balthus is een evenement op zich. De excentrieke graaf die op 29 februari 1908 in Parijs werd geboren als Balthazar Klossowski de Rola, exposeert niet vaak.

De autodidact Balthus schildert al sinds zijn zestiende jaar. In 1983 was er voor het laatst een overzichtstentoonstelling van hem te zien in het Parijse Centre Pompidou die vervolgens in het Metropolitan Museum of Modern Art in New York werd getoond.

Wandelend door de weidse, overzichtelijk ingerichte museumzalen waar het werk van Balthus de ruimte krijgt, valt als eerste op dat de schilder gedurende bijna zeventig jaar niet van onderwerp is veranderd. Hij schilderde straatsscènes, hij maakt nog wel eens landschappen maar het onderwerp dat hem tot op de dag van vandaag in de ban heeft weten te houden, is de menselijke verschijningsvorm van met name kinderen en opgroeiende meisjes.

De tentoonstelling opent met een jeugdwerk uit 1926. De achttienjarige Balthus schilderde met forse penseelstreken en in gedempte kleuren twee meisje's in een park. Ter gelegenheid van hun eerste communie dragen de meisjes een wit jurkje en een sluier. Terzijde van een grasveld vol zonnige plekken staan de kinderbruidjes roerloos in de schaduw van de bomen. Het licht valt op de gestalte van een jongen die je op de rug ziet en met de hiel van zijn blote voet zijn andere voet krabt. Een tweede jongen buigt zich voorover om iets op te pakken uit het gras. Het is een schilderij waarop vrijwel niets gebeurt, zoals dikwijls het geval is bij Balthus.

Tuinstoeltjes

Op een portret uit de jaren dertig heeft hij een volwassen vrouw afgebeeld die zich eveneens in een park bevindt en net zo lang is als de bomen. Het is net of ik haar al eens eerder heb gezien. Maar waar? Het portret is vlak geschilderd. De achtergrond met de rare langgerekte boomstammen, een wat potsierlijke jager en tuinstoeltjes in poppenformaat, doet denken aan een decorstuk uit het theater. De vrouw die een matrode jumper draagt en een minuscuul rood mutsje in haar hand heeft, oogt als een per vergissing tot reuzin omgetoverd kind. Ze heeft die ontwijkende blik in haar ogen die typerend is voor de modellen van Balthus. Het is alof ze zich liever hadden willen verschuilen in de cocon van het lichaam die zich ineens als een taaie capsule is gaan manifesteren.

In zijn portret van de schilder Miró en diens dochter Dolores, uit 1937, benadert Balthus hetzelfde thema van verschillende kanten. Miró zit op een stoel terwijl de ongedurige, dynamische Dolores, die acht of negen jaar oud is, tussen zijn knieën staat. Miró lijkt totaal verbijsterd. Het is alsof hij ineens is gaan beseffen dat er een in een gestreept kinderjurkje vermomde bijenkoning tegen hem aanleunt. Het schilderij La Jupe Blanche is uit dezelfde periode. Het toont een sierlijk gebouwde, ongeveer zestienjarige blondine in een openhangende bloes, onderjurk en met geborduurde huispantoffeltjes. Balthus had Antoinette de Watteville, een telg uit een oude en conservatieve Zwitserse familie, in 1922 leren kennen. Hun huwelijk, waaruit twee zonen werden geboren, zou uitlopen op een scheiding. Antoinette is de droom van ieder lelijk eendje, maar ook zij maakt de indruk te zijn opgesloten in haar eigen vorm, hoe volmaakt die ook oogt. Een weelderig geplooid, rood-beige gordijn geeft de verder kale ruimte een toneelmatig accent. Het is alsof het drama wordt verbeeld van de schoonheid die de leegte niet kan oplossen. Balthus, die in Parijs in de jaren dertig kostuums en decors ontwierp voor opera en toneel, gebruikte hetzelfde gordijn voor het, in 1935, in het Théatre des Champs-Elyseés opgevoerde stuk van William Shakespeare As You Like It.

De schilder Picasso had oog voor de ironie in het werk van Balthus. Hij kocht, in 1937, Balthus' schilderij Les Enfants, een voorstelling van een jongen die met zijn knie op een keukenstoel en met zijn elleboog op een tafel leunt en een meisje dat op haar knieën op de grond zit en een boek leest. In Madrid is een soortgelijk schilderij te zien uit 1941-'43. Een meisje ligt met haar hoofd achterover op een soort Biedermeier-bank te slapen terwijl een tweede meisje met haar knieën op een tapijtje en steunend op een elleboog een boek leest. In beide voorstellingen zijn de kinderen opgevat als enigszins bizarre meubelstukken die zich hoofdzakelijk van een tafel, een stoel of de piano onderscheiden door hun beweegbare onderdelen.

Esperanto

Toch is Balthus uitgegaan van een lichaamshouding die voor kinderen niet ongewoon is. Kinderen scharrelen immers altijd over de grond. Het vervreemdingseffect lijkt te worden opgeroepen door iets anders. Het is alsof aan deze figuratieve voorstellingen een geheimzinnige, door Balthus zelf ontwikkelde geometrische taal ten grondslag ligt. Een soort schilderkunstig Esperanto waarin hoekige stoelen kunnen communiceren met keukentafels en de balpoten van een salontafel kunnen roddelen over een mollige meisjesdij die onder een weg gegleden rok uitsteekt.

De passie van 'de Meester van de Lolita's' voor de prille vormen van meisjes die het kinderstadium amper achter zich hebben gelaten, is vooral kenmerkend voor de schilderkunst die Balthus zou ontwikkelen vanaf omstreeks 1945, ook al schildert hij nog wel eens een jongen, zoals het ventje met het kogelronde hoofd naast de goudvissenkom waaronder een sardonisch ogende kat zit. Balthus wijdde zelfs drie verschillende schilderijen aan dit thema. Toch is het moeilijk om je aan de indruk te onttrekken dat Balthus in dit opzicht veel op Lewis Caroll lijkt die in een brief over zichzelf opmerkte: 'I'm fond of children (except boys).'

Aan Balthus' voorstellingen is te zien dat het hem aanvankelijk moeite kostte om de vormen van het naakte meisjeslichaam goed te schilderen. In La Toilette de Georgette, uit 1948/49, zie je het opgetrokken dijbeen van het blozende, blote meisje in eerste instantie voor een op een krukje neergelegd hoodkussen aan. Dit schilderij maakt enigszins begrijpelijk waarom Balthus door puriteinse Amerikanen wel voor een perverse schilder wordt aangezien. Het beeldrijm in de voorstelling wordt met name opgeroepen door een enorm voorwerp dat een aanwezige dienstbode onder haar arm heeft geklemd. Dit objekt houdt het midden tussen een schaar en een verlostang.

Hij maakte nog een versie van het schilderij waarop hetzelfde blote meisje als een vleeskleurige bron van licht is afgebeeld, maar nu ten voeten uit en dus met de bij Balthus onvermijdelijke sokjes en slofjes. Het meisje presenteert zichzelf met de weidse armbeweging van een heilige op een religieus schilderij terwijl een dwergachtig vrouwtje dat op haar hurken op de grond zit, naar haar opkijkt. Een hemels licht valt ook op het jeugdige, zittende naakt dat achterover gebogen en met een uitgestrekte arm in extase over de rugleuning van een stoel hangt. Balthus heeft deze houding een functioneel tintje proberen te geven door de invoering van een kat die boven op een kastje ligt te slapen en die het meisje vanuit de aangenomen positie met enige moeite nog net zou kunnen strelen.

Balthus veranderde niet van onderwerp maar wel van stijl. De verflaag werd dikker en matter, de kleuren ging steeds meer verwijzen naar de vroege Italiaanse en Vlaamse schilderkunst. Balthus schilderde drie voorstellingen van een jongen en een meisje die een kaartspel spelen - een van deze schilderijen bevindt zich in de collectie van het Rotterdamse Museum Boymans-van Beuningen. Op de expositie in Madrid is een versie te zien die ontleend zou kunnen zijn aan Piero della Francesca, die door Balthus als een belangrijke leermeester wordt beschouwd. Het poëtische portret la Jeune fille à la chemise blanche wordt door sommigen zelfs als een Balthusiaanse Mona Lisa gezien.

Fellini

Balthus verhuisde in de jaren vijftig uit Parijs naar een kasteel in Chassy. Een vriend, de Franse minister van cultuur André Malraux, vroeg hem vervolgens voor een post in Rome waar hij directeur werd van het instituut Villa Medici waar Franse Prix de Rome-winnaars zich gedurende twee jaar kunnen verdiepen in de Italiaanse cultuur. Balthus restaureerde de villa die beschilderd is met fresco's en organiseerde er spraakmakende feesten die onder anderen bezocht werden door Federico Fellini. Een opdracht, in 1962, om in de villa een tentoonstelling over Japanse kunst te organiseren, dreef Balthus in de armen van zijn tweede vrouw, de toen twintigjarige Setsuko Ideta die in Tokio op de door jezuïten geleide Sofia-Universiteit Franse literatuur studeerde. Zij is afgebeeld op het mooie schilderij De Turkse Kamer (1963-'66). De kamer bevindt zich in de Villa Medici en de wand- en vloertegels hebben geometrische motieven die opnieuw aan de primitieven en aan de vroege schilderkunst uit Siena herinneren. De liggende vrouw heeft een kimono losjes om haar naakte lichaam gedrapeerd. Zij houdt een spiegel in de hand en kijkt, zoals alle modellen van Balthus, langs je heen naar een punt in de verte. De ruimte, gedomineerd door Westerse en Aziatische elementen, associeert zich niet langer met bestaande plekken en ook de tijd lijkt buiten spel gezet.

De latere nimfijnen van Balthus zijn allemaal opgevat in deze tijdloze, fresco-achtige stijl die mede voortgekomen is uit zijn experimenten met schilderkunstige middelen als caseïne, tempera en zelf ontwikkelde brouwsels. Of het allemaal houdt, is zeer de vraag. Het eerder genoemde door Museum Boymans aangekochte doek van Balthus moest een jaar later al stevig worden gerestaureerd. In het niet al te grote schilderij bleek 50 pond verf te zijn verwerkt. Maar één ding staat vast, de mengsels van Balthus leveren de meest schitterende kleuren grijs, mauve, okertinten, lavendelblauw, olijfgroen, aardgroen, violet en roze op. Dat de modellen van Balthus altijd maar liggen te slapen met wijd gespreide benen of lopen te slaapwandelen past goed bij deze kleuren die verwijzen naar een gedroomde werkelijkheid.

Op zijn nieuwste schilderij Le Chat au Miroir, waaraan Balthus sinds 1989 werkt en waarin hij nog steeds veranderingen aanbrengt, is het model klaar wakker. Het grappige meisje is gekleed als een soort fantasiepage en zit boven op een bank die eveneens met decoratieve lappen is omhangen. Ze laat een bijzonder eigenwijs kijkende kat die ook op de bank is geklommen in een spiegel kijken. Ook het meisje komt mij bekend voor.

Mieren

Als ik de tentoonstelling van Balthus enkele dagen later voor de tweede keer bezoek, passeer ik een kleine zaal waarin mensen naar een film zitten te kijken. De ruimte blijkt deel uit te maken van het nieuwe, in het museum Reina Sofia gevestigde Buñuel-archief dat de Spaanse overheid kort geleden gedeeltelijk heeft aangekocht. Als ik mijn hoofd om de hoek van de deur steek zie ik op de film een man die naar zijn hand staart. Er zit een gat in zijn hand waaruit een legertje mieren kruipt. Ik begrijp dat Buñuels surrealistische film Un Chien Andalou, uit 1930, wordt gedraaid. In het publiek zie ik nu iemand naar mij wuiven: het is de opticus uit het vliegtuig. Hij wenkt dat ik naast hem moet komen zitten. Ik zie eerst het eind van de film en daarna het begin. Na de beroemde scène van het met een scheermes bewerkte oog waaruit gelei druppelt, verlaat ik het zaaltje in gezelschap van de opticus. Wat druppelde er nu precies uit dat oog?, vraag ik. Het oog is een met geleiachtig water gevulde goudvissenkom , antwoordt de opticus. Hij heeft de Balthus-tentoonstelling inmiddels bekeken. 'En?' vraag ik. 'Ik vind het een weinig discrete schilder', antwoordt hij.

Op de tentoonstelling kijk ik nog eens naar het jongetje met de goudvissenkom die zojuist voor mij gedefinieerd is als het menselijk oog. Ook valt mijn aandacht op een met gevoelige, tastende lijntjes gemaakte tekening die opgedragen is aan een model en waarop Balthus heeft geschreven: 'And though the shadow of a sigh / May tremble through the story / For 'happy summer days' gone by / And vanish'd summer glory - / It shall not touch, with breath of bale / The pleasance of our fairy-tale'. Ineens valt me de laatste regel binnen uit Alice's Adventures in Wonderland van Lewis Carroll: 'happy summer days...' Balthus heeft een couplet uit een door Carroll geschreven gedicht gebruikt. Nu kan ik ook die lange vrouw tussen de bomen thuisbrengen, ze lijkt op de illustratie die John Tenniel maakte van Alice nadat ze de geheimzinnige (groei-)drank heeft ingenomen. En het meisje met de kat op het laatste schilderij herinnert mij aan Alice en haar kat aan wie ze alles vertelt.

Eén maal teruggekeerd in het moederland wacht mij nog een verrassing. Van de schilder die nog nooit van zijn leven op de televisie is verschenen, wordt een filmpje vertoond op de Duitse televisie. Balthus heeft een vogelkop en is gekleed in een chique kimono. Ik hoor hem in het Frans verklaren: 'Er wordt steeds gezegd dat ik Lolita's zou schilderen. Dat is precies het tegendeel van hetgeen ik mij voorstel, van wat ik zie en uit willen drukken. Ik walg daarvan. Ik zoek het ogenblik dat het lichaam van een meisje nog zeer dicht bij God is. Als ik deze kleine meisjes naakt voor mij zie, in het atelier, dan heeft dat voor mij niets met erotiek van doen. Het is iets goddelijks dat mij altijd verwondert en gevangen houdt. Zij hebben de attributen van een vrouw en zij zullen eens mooie vrouwen zijn. Maar nog zijn het engelen. Ja, engelen.''

    • Betty van Garrel