Bekvechtende vrouwen; Een 'verloren stuk' van Shakespeare

Volgens de Britse Shakespeare-deskundige Eric Sams moet het anonieme 16de-eeuwse toneelstuk Edmund Ironside een jeugdwerk van William Shakespeare zijn. Dat regisseur Rieks Swarte bij de Nederlandse première klakkeloos Sams' standpunt overneemt is “een onbezonnen daad. Het stuk kan alleen met veel pijn, moeite en moedwillige interpretatie 'toegeschreven' worden aan de Grote Britse Toneelschrijver.”

Edmund Ironside gaat op 22 februari in première bij Firma Rieks Swarte in de Toneelschuur, Haarlem. Shakespeare's Edmund Ironside. The lost play. Edited by Eric Sams. Uitg. Wildwood House, 383 blz. Prijs ƒ 33,55.

Lange tijd sluimerde op een van de planken van de British Library in Londen een anoniem toneelstuk, geschreven in een onbekend handschrift, uit de late zestiende eeuw. Ooit werd het uitgevoerd, nog tijdens de Tudor dynastie, het Britse huis dat van 1485 tot 1603 regeerde over Engeland. Daarna raakte het in de vergetelheid. En terecht.

Het stuk heet Edmund Ironside, zo genoemd naar de titelheld, zoon van de Engelse koning Ethelred de Wankelmoedige. Het stuk speelt zich af op Engels grondgebied in 1016. Ironside is een bloedig drama, waarmee vergeleken onze Karel ende Elegast een sprookje is voor zachtmoedigen. Handen en neuzen worden afgehakt, er wordt gedood, geroofd en geplunderd, dit alles in naam van de strijd tussen Edmund en zijn Deense rivaal, Canutus. Die laatste viel Engeland binnen, stuitte op Ironside, moest een veldslag leveren, probeerde met list de triomf te behalen en op het moment dat hij in zijn tegenstander zijn meerdere erkende, verzoende hij zich met hem. Tussen dit robbedoezende tweetal bevindt zich nog de verraderlijke overloper Edricus, nu eens bevriend met de een, dan met de ander.

Edmund Ironside is een draak van een drama, het is de nachtkaars in de toneelliteratuur, het broddelwerk van een toneelauteur die zich wilde meten met de grote bloedige voorbeelden uit die tijd, zoals Seneca, maar niet de moed had de tragedie werkelijk tot iets huiveringwekkends te maken. Als lezer of toeschouwer word je er geen sikkepit rijker of wijzer van. De beide heerschappen met hun gevolg staan elkaar negen-tiende van het drama naar het leven om zich aan het slot ineens tot een pathetische verzoening te laten verleiden. Geheel onvoorbereid, niets tot dan toe wees daarop, nog niet de geringste vooruitwijzing. Natuurlijk, het beroemde geweer van Tsjechov - dat in het eerste bedrijf getoond wordt om in het derde een fataal schot te lossen - kenden ze in het middeleeuwse Engeland nog niet, maar toch, een beetje toneelschrijver had de dramatische lijnen wat strakker aangehaald en subtieler met elkaar verweven.

Ik mag dit allemaal niet zo balsturig opschrijven. Want dit stuk van de Grote Onbekende dateert uit dezelfde tijd als de Grote Britse Toneelschrijver leefde; in dit stuk worden neuzen en handen afgehakt net als in het gruweldrama Titus Andronicus van diezelfde Grote Britse Toneelschrijver; in Edmund Ironside staan maar liefst 635 zeldzame woorden die ook bij de Grote Toneelschrijver voorkomen en 350 uitdrukkingen en zinswendingen waarvan de laatste zich eveneens bediende. Liet de Grote Toneelschrijver zich inspireren door de bijbel en De Metamorfosen van Ovidius, ook de Onbekende is, getuige zijn verwijzingen, een liefhebber van beide boeken.

Het lijdt geen twijfel: Edmund Ironside is niet het werk van een Onbekende maar van William Shakespeare (1564-1616) zelf. Zo'n halve eeuw geleden werden in Engeland - een eiland aan de andere kant van de Noordzee dat tot de nok gevuld lijkt met 'Shakespeareans' - al hints in die richting gegeven, en sinds het verschijnen in 1985 van Eric Sams' vuistdikke editie van Edmund Ironside zou het bewijs onomstotelijk geleverd zijn. Een jaar later kwam het bij het Bridge Lane Theatre in Londen tot een uitvoering, nu regisseert Rieks Swarte in de Haarlemse Toneelschuur de Nederlandse première.

Sams kondigt het stuk aan als 'Shakespeare's lost play'. En de ondertitel luidt: “De Engelse koning. Een waar gebeurde geschiedenis genaamd: de oorlog heeft allen tot vrienden gemaakt.” Swarte volgt hem in dit alles klakkeloos na. Sterker nog, hij kondigt zijn voorstelling aan als 'Shakespeare eindelijk Shakespeare.' Dit is een onbezonnen daad; Edmund Ironside kan alleen met veel pijn, moeite en moedwillige interpretatie 'toegeschreven' worden aan de Grote Britse Toneelschrijver. En dan nog.

Geschiedvervalsing

Nu heeft Engeland een traditie hoog te houden in de Shakespeare-folklore; elk jaar wordt zijn graf wel opnieuw ontdekt en wie weet gedolven, vindt iemand onbekende gedichten van hem of stuurt een ander een heus sonnet van Shakespeare naar een gevestigd literair tijdschrift waarvan de redactie het dan hooghartig terugzendt, begeleid door een vernietigend oordeel. Shakespeare is de Elvis Presley van het Britse Koninkrijk.

Edmund Ironside toewijzen aan Shakespeare is misschien niet eens zozeer geschiedvervalsing als wel een daad van onrechtvaardigheid. Niemand is ermee gediend, de toeschouwer niet, Shakespeare evenmin. Trots schrijft Sams in zijn inleiding dat sinds verschijning van zijn Ironside-editie in Engeland heel wat 'academische bijlen' zijn geslepen. De artistiek leider van de Royal Shakespeare Company was tegen, en met hem vele andere vooraanstaande Shakespeare-vorsers. Zoals Sams het aan zijn 'guts' voelt dat Ironside een 'vintage' Shakespeare is, zo voelen anderen het aan hun 'guts' dat Ironside nièt mag bogen op Shakespeare's signatuur.

Hoe uitputtend Sams ook redeneert, zijn argumenten blijven schoten in het duister. Zijn editie telt 383 bladzijden, waarvan de tekst er 61 telt; de overige 322 pagina's wijdt hij aan een inleiding, annotaties en een uitvoerig commentaar waarin hij tal van gebeurtenissen en begrippen uit het stuk traceert in ander toneelwerk van Shakespeare. Een voorbeeld: gaat het in Ironside om een huwelijk, dan volgt er een waslijst van huwelijksvoltrekkingen elders, in Hamlet, in Henry VI, in Othello, in De storm. En telkens staat daar natuurlijk het woord 'marriage', al of niet voorzien van de epitheta 'noble', 'solemn' enzovoort. Deze parallellen, op grond van overeenkomstige woorden, moeten bewijzen dat Ironside van Shakespeare's hand is. Maar het zijn computerfeiten: zet de hele Shakespeare op de harde schijf, doe hetzelfde met zijn 'lost play'. Een kind kan bedenken dat het gaat ratelen en ritselen van de overeenkomsten. Wat Sams verdoezelt is dat de auteurs uit Shakespeare's tijd zich nauwgezet hielden aan een uitgeschreven stelsel van retorische regels en figuren. Zij werkten in de beschutting van afspraken, waardoor de herkenbaarheid voor de toeschouwers groot was.

Een Engelse krant schreef cynisch over het gebruik van computers om, al tellend en registrerend, zogenaamd keiharde bewijzen te leveren: “(Een) chimpansee met een computer en de volledige werken van Shakespeare erop kan zo een avondvullende nieuwe Shakespeare maken.” Sams heeft dit gevaar onderkend en waagt zich, behalve aan het vergelijken van tekstfragmenten, aan inhoudelijke analyses. Bij het lezen van het lemma 'Women' gaat hij genadeloos onderuit. Hij schrijft dat Ironside een gedetailleerde verwantschap oplevert tussen Shakespeare en 'de vrouwen en hun karakter'. Dat lijkt me onhoudbaar; de vrouwen die in Ironside optreden zijn zeldzaam eendimensionaal, wat, eerlijk gezegd, nog versterkt wordt door de Nederlandse vertaling die de teksten van de actrices danig heeft gekortwiekt en nog vlakker gemaakt. Sams betoogt dat in Ironside vrouwen slechts één rol vervullen, die van louter scènes maken en bekvechten. Vervolgens schrijft hij: “Ook elders in Shakespeare zijn de vrouwen labiel en geëmotioneerd, wezens van de gril en de inval. Dingen overkomen hen plotsklaps en onverwacht, met consequenties die op de toeschouwers een onweerstaanbaar komisch effect hebben.” Zoiets kan alleen aan gene zijde van de Noordzee bedacht worden, op een eiland. Is Ophelia komisch, Lady Macbeth, Julia? Is koningin Gertrude labiel? Overkomt Cleopatra iets wat ze zelf niet wil? Is Katharine uit The Taming Of The Shrew onweerstaanbaar lachwekkend? Nee.

Handdruk

Het is verbijsterend dat Sams niet het geringste spoortje van inzicht toont in de uiterst zwakke dramatische opbouw van Ironside. Zo stelt hij dat het stuk weliswaar verwantschap vertoont met Titus Andronicus, en zodoende krijgen we hele protocollen van gelijkenissen, maar dat het toch een zelfstandig toneelwerk is. Titus zou in 1590 geschreven zijn en Ironside in 1588. Beide dus jeugdwerken van Shakespeare. Hoewel er in Titus ook sprake is van twee machthebbers die elkaar het koningschap betwisten, is de afloop diametraal tegengesteld: bij Titus vindt er een de dood en is de strijd er inderdaad een van dood op leven, bij Ironside geven ze elkaar op het hoogtepunt van het blikkerende zwaardgevecht de hand. Eigenlijk is Titus Andronicus al een onspeelbaar stuk, volgens 'Shakespeareans' nauwelijks serieus te nemen, een parodie op de vele bloedstollende tragedies uit die tijd. Het werd ooit gekenschetst als: “The Most Lamentable Tragedie.” Hoe dan ook, de plotlijnen zijn subtieler verweven dan in Ironside en de hoofdpersonages maken een mentale ontwikkeling door; omdat het stuk met moord en doodslag eindigt, moet er wel sprake zijn van dilemma's. Het slot werpt als het ware een schaduw terug. Ironside daarentegen leidt tot niets, zelfs de rol van de overloper Edricus, een sluwe oorlogszuchtige windhaan, geeft het stuk geen diepere dimensie.

Zelfs de jonge Shakespeare, hij zou tweeëntwintig geweest zijn toen hij zijn 'lost play' schreef, wist al voldoende van theater om een eenmaal in gang gezet dramatisch verhaal ten volle uit te buiten en naar een dwingend einde te sturen; dat gebeurt allesbehalve in Ironside. Bovendien mist Ironside elke innerlijke tweestrijd waarin een toneelpersonage verzeild kan raken en waarvoor hij een oplossing moet vinden.

Kijk, als in het stuk de kinderen van de titelheld nu gegijzeld werden en de neus afgesneden, de handen afgehakt, in plaats van de zoons van twee nietsnutte overlopers - dan was er sprake van drama. Dan waren de lotgevallen van de verschilende personages met elkaar verknoopt. Maar nee, Edmund heeft geen kinderen en de verminking is een los draadje, dat nergens toe dient. Het is daarom voor slechts een paar tellen gruwelijk, daarna is het alweer vergeten.

Edmund Ironside is, zoals de Engelse kranten schreven na de première in april 1986 'vanaf de eerste lettergreep gedoemd tot zinken'. Wat William Shakespeare ook schreef, hoe luimig of parodiërend ook, zoals Titus Andronicus, het was nooit vanaf het allereerste ogenblik gedoemd. Er is geen enkel bezwaar tegen om Ironside opnieuw anoniem in de geschiedenis te laten sluimeren.