Arabieren maken zwarten tot slaven in Soedan

In Soedan heeft een levendige handel plaats in zwarte kinderen uit het zuiden en de Nubabergen. Handel in slaven, om het regeringsleger te versterken en als hulp in noordelijke huishoudingen.

KHARTOUM, 16 FEBR. De zwarte Zuidsoedanees James Panreeng Alier ging Ahmed heten. Zijn christelijke geloof moest hij afzweren. “Mijn islamitische leraren vertelden me: het christendom is voor ongeciviliseerde mensen.” De 16-jarige James krabt verstoord aan zijn jeugdpuistjes. Met tegenzin vertelt hij zijn verhaal. “Ze noemden ons de zonen van slaven”, zegt hij tijdens een ontmoeting in de Soedanese hoofdstad Khartoum.

Wat James vertelt kunnen talloze jonge zuiderlingen hem navertellen. Sommigen noemen het slavenhandel. Een antropoloog vindt dit een wat te beladen woord om de handel in zwarte Zuidsoedanese kinderen te omschrijven. Hij noemt het “grof misbruik van kinderen”. Leden van de noordelijke politieke elite proberen deze handel in mensen te vergoelijken door het “een eeuwenoud verschijnsel” te noemen. Welke naam er ook aan wordt gegeven, niemand ontkent het verschijnsel: vele honderden zwarte kinderen uit het overwegend christelijke zuiden en uit de Nubabergen worden naar het islamitische noorden en westen afgevoerd en daar tewerkgesteld. “Ik was op school toen in februari 1992 het regeringsleger Pachala innam op de rebellen van het SPLA (de zuidelijke bevrijdingsbeweging)”, vervolgt James. “De soldaten omsingelden het schoolgebouw en namen mij en zeventien andere scholieren gevangen. Enkele dagen later kwam president Bashir zijn troepen gelukwensen. In zijn vliegtuig vlogen ze ons naar Khartoum.”

In de Soedanese hoofdstad leverden de autoriteiten de achttien af bij een islamitische school. “We kregen Arabische les en moesten de Koran uit het hoofd leren.” Na drie maanden brachten ze James naar een kamp bij Fau in Oost-Soedan, waar hij ook een militaire training kreeg. “Er bevonden zich daar wel honderd zuidelijke jongens zoals ik. Om zes uur in de ochtend begonnen de militaire oefeningen. Daarna volgde tot twee uur 's middags het islamitische onderwijs.” Eind 1993 slaagde UNICEF, de kinderorganisatie van de Verenigde Naties, erin James uit het kamp te halen.

Vele zuidelijke kinderen waren minder gelukkig. Een vertegenwoordiger van de illegale Soedanese organisatie Pro-Kid vertelt over een twaalfjarige jongen die hij aantrof in Port Sudan, door zijn eigenaar vastgeketend aan een bed. In de rechtszaak die een advocaat namens Pro-Kid aanspande, verklaarde de eigenaar, een legerofficier, tijdens zijn diensttijd in het zuiden de moeder van de jongen voor 10.000 pond (25 gulden) te hebben getrouwd. De moeder ontkende dit. Volgens haar was zij met haar zoon door Arabische milities ontvoerd en daarna verkocht, niet als echtgenote maar als slaaf.

Tientallen gevallen zijn gedocumenteerd van zuidelijke kinderen die werden verkocht aan noordelijke huishoudens. Tachtig kinderen wist Pro-Kid vrij te krijgen door een rechtszaak aan te spannen tegen de eigenaars, want de Soedanese grondwet staat geen slavenhandel toe. Honderden andere kinderen gingen naar de militaire kampen van de Volksdefensiemacht, een para-militaire organisatie van honderdduizenden haastig opgeleide manschappen. Ze moesten vervolgens vechten aan regeringszijde in de zuidelijke oorlog tegen het SPLA. Van velen van hen werd nooit meer iets vernomen.

In het tussen het zwart-Afrikaanse zuiden en gearabiseerde noorden verdeelde Soedan was in de vorige eeuw slavenhandel vrij algemeen. De Arabische Reizegat en Miseriya, stammen in het uiterste zuiden van Noord-Soedan, leven al honderden jaren in competitie om weidegronden met het zuidelijke Dinka-volk. Koeien en slaven waren oorlogsbuit. In de jaren tachtig kregen deze traditionele conflicten een hedendaagse politieke dimensie. De toenmalige regering van premier Sadeq el-Mahdi ging de Miseriya en de Reizegat bewapenen in de oorlog tegen het SPLA, dat voor een groot deel uit Dinka's bestaat.

“Na de militaire machtsovername in 1989 door de moslim-fundamentalisten nam het verschijnsel geheel nieuwe vormen aan”, legt een advocaat uit. “De regering had de strijd tegen het SPLA tot een jihad verklaard, een heilige oorlog, en was in het hele land burgers gaan recruteren voor de oorlogsinspanningen. Er ontstond een handel in zuidelijke kinderen. Officieren van de regeringsstrijdkrachten en leden van de Miseriya en Reizegat ontvoeren in het zuiden kinderen en verkopen ze aan rijke Noordsoedanezen, die hen als hun dienaren aanstellen. Het gaat om tienduizenden kinderen en vrouwen. Dit is een ware slavenhandel.”

David Mayour woont in de zuidelijke stad Wau. In tegenstelling tot andere illegale activisten die in Soedan de handel in kinderen bestrijden, heeft hij er geen bezwaar tegen om zijn naam afgedrukt te zien in een krant. “Ik ben nu 63 jaar, dat is veel meer dan de gemiddelde Afrikaan kan verwachten. Ik ben niet meer bang om te sterven als de autoriteiten me oppakken. Wij moeten ons luid en duidelijk uitspreken tegen deze onmenselijke handel.”

David Mayour spreekt van een geheime oorlog die rond Wau woedt om de kinderen te roven. Volgens hem worden de ontvoerde kinderen eerst ondergebracht in een kamp bij Wau. Daarna gaan ze per trein naar het noordelijke Babanusa. Er zou zich daar een soort slavenmarkt bevinden. “Een meisje brengt 50.000 Soedanese pond op (ongeveer 125 gulden), een jongen ongeveer 20.000, afhankelijk van hun fysieke staat”, aldus David Mayour. “Deze transacties vinden niet openlijk plaats, hoewel de autoriteiten zeker op de hoogte zijn.” Internationale organisaties voor de rechten van de mens evenals bronnen binnen de rooms-katholieke kerk van Khartoum bevestigen deze handel in zwarte vrouwen en kinderen. De VN-vertegenwoordigers bezochten enkele kampen voor minderjarige kinderen in het land en concludeerden dat “vele kinderen tegen hun wil in de kampen verblijven zonder kennis van hun ouders”. De katholieke kerk geeft financiële steun aan ouders die door rechtszaken hun ontvoerde kinderen pogen vrij te krijgen. “De kinderen worden regelmatig geslagen in de kampen”, zegt een pastorale werker. “Sommigen weten te ontsnappen, hoewel dat niet gemakkelijk is in de woestijn. Ook zuidelijke straatkinderen in Khartoum worden periodiek opgepakt, afgevoerd naar de kampen en onder toezicht gesteld van een islamitisch bestuur. Steeds vaker zie je dit soort kinderen als hulpjes in de huishoudens, eerst vooral in de westelijke provincies en nu ook steeds meer in het noorden.”

Op de vraag of dit nu slavenhandel kan worden genoemd, antwoordt hij resoluut: “Natuurlijk! Hoe kan je anders verklaren dat ouders die bij de kampen hun kinderen komen ophalen, vrijwel nooit hun kinderen terugkrijgen?” Een christelijke charitatieve organisatie heeft zich inmiddels ontfermd over de zestienjarige James, die nu in Khartoum naar school gaat. Van zijn ouders heeft hij sinds zijn ontvoering nooit meer iets vernomen; die zijn onbereikbaar door de strijd in het zuiden.

    • Koert Lindijer