Als knaap van zes al de beste dichter; Goethe's Dichtung und Wahrheit vertaald

Tegen het eind zijn leven tekende de Duitse dichter Johann Wolfgang von Goethe zijn memoires op onder de titel Aus meinem Leben - Dichtung und Wahrheit. Uit bewondering voor de dichtervorst maakte de socioloog en docent bedrijfskunde E. Tjallinks een Nederlandse vertaling. “Wat op den duur dwars gaat zitten in dit boek is de niet tegen te spreken, massief-onweerlegbare, trotse toon van Goethe.”

J.W. von Goethe: Verdichting en waarheid. Uit het Duits vertaald door E. Tjallinks. Uitg. Ambo, 726 blz. Prijs ƒ 99,-

De gevleugelde titel is beroemder dan het boek zelf: Dichtung und Wahrheit. Allerlei saillante gedachten roept die titel op: verzinsel en werkelijkheid, fictie en feit, droom en daad, leugen en waarheid, hemel en aarde, vrijheid en gebondenheid, vuur en ijs, geluk en lijden, misschien zelfs liefde en harteloosheid, ja, en waarom niet leven en dood. Want telkens gaat het om dat wat we van het leven dromen of verwachten, en haaks daarop de koude werkelijkheid.

Het uitdagende, bijna tartende van de titel is ook dat 'Dichtung' voorop staat, en pas dan 'Wahrheit'. Natuurlijk is dat het goed recht van de schrijver, Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832), om zich eerst te verlustigen in de verdichting en pas dan met de waarheid op de proppen te komen. Hij werkte aan het boek tussen 1809 en 1830. Eigenlijk luidt de titel helemaal niet uitsluitend Dichtung und Wahrheit, maar Aus meinem Leben -Dichtung und Wahrheit. Ik kan dat niet anders lezen dan dat Goethe, de dichtervorst, de onaantastbare olympiër, tegen het einde van zijn leven zijn memoires optekende voor heel het Duitse volk. Want Goethe wist dat het volk over zijn schouder met hem meelas; dagelijks kreeg hij postkoetsen vol brieven waarmee hij, naar boze tongen beweren, de haarden in zijn huis brandend hield.

Het hele probleem over Dichtung und Wahrheit intrigeert nog meer wanneer we, dank zij Eckermann's gesprekken met Goethe, erachter komen dat de oorspronkelijke titel in 1823 nog Wahrheit und Dichtung luidde. De enige reden voor omkering is gelegen in die hinderlijk-stotende herhaling van de 'd' bij '... und Dichtung'. Zoiets gelooft niemand; Goethe hield wel van mystificatie. Zo is de zogenaamde zelfmoordgolf die tientallen jaren na publicatie van Werther - al die arme jongens in geel vest, gele broek en blauwe overjas - die zich een kogel door de kop joegen - vooral een 'Verdichtung' van Goethe. Het was veel minder erg.

Sommigen schreven een briefroman à la Werther, zoals de arme Hölderlin met zijn Hyperion, en werden vervolgens krankzinnig. Of schreven geen boek, waren weliswaar even hevig verliefd, klemden zich Werther als een klein kogelvrij schild tegen het hart of hoofd, trouwden, en leidden de rest van hun leven een deugdzaam bestaan.

Het is een boek dat zwaar op de maag van Goetheanen ligt, Dichtung und Wahrheit, in het Nederlands verschenen als Verdichting en waarheid, vertaald door de socioloog en docent bedrijfskunde E. Tjallinks. Nietzsche vond Eckermann's Gesprekken met Goethe het 'beste Duitse boek dat er is', en daarin had hij tot dan toe gelijk; in elk geval kan de Dichtung daarbij niet in de schaduw staan.

Wat op den duur dwars gaat zitten in dit laatste boek is de niet tegen te spreken, massief-onweerlegbare, trotse toon ervan. Krijgt Goethe in samenspraak met Eckermann nog weleens een weerwoord, zij het zeer licht ironisch. De weergave van de gesprekken heeft iets voorjaarsachtigs omdat Eckermann telkens zo opgewekt is tijdens elke ontmoeting met zijn idool. De Dichtung is meer een donker, Teutoons woud waarvan het zware gebladerte slechts hier en daar wat lichtschachten doorlaat.

Voor de grote, klassiek geworden Duitse schrijvers waren er drie mogelijkheden:of ze werden een majesteit, zoals Von Goethe, of ze werden gek, zoals Hölderlin, of ze pleegden zoals Von Kleist zelfmoord. Maar hoe je het ook wendt of keert: alle wegen beginnen bij Goethe en leiden naar Goethe terug. Hölderlin heeft zich nooit uit zijn schaduw kunnen bevrijden.

Voor Kleist had Goethe weinig bewondering, tot op het laatst van zijn leven toe, zoals we, alweer, in Eckermann lezen. Hij was eenvoudigweg bang voor genialiteit die aan waanzin grenst. Kleist zou slechts leven in de 'Verdichtung' en liet de 'Wahrheit' niet meer toe. Dat is volgens Goethe onzin: zonder de waarheid bestaat er helemaal niets. En daarin heeft hij gelijk. Bovendien, er kan er maar één aanspraak maken op de titel van Duitse dichtervorst, en dat kan Kleist, ondanks dat hij Von Kleist heette - net als Goethe ook Von had overigens - niet zijn, want een 'zelfmoorddichtervorst', nee, dat is ondenkbaar. En over Hölderlin wordt in alle talen gezwegen.

Zelfvertrouwen

In de Dichtung beschrijft Goethe in twintig boeken zijn leven vanaf zijn geboorte tot aan zijn vertrek naar Weimar en vervolgens Italië op 3 september 1786. Hij is dan 37 jaar oud, heeft over alles wat maar denkbaar is een mening, van de Bijbel tot het theater, van dichtkunst via theologie naar filosofie; hij is verliefd geweest op Gretchen aan het spinnewiel, op Charlotte Buff en Charlotte von Stein, schreef het doorslaggevende Sturm und Drang-drama Götz von Berlichingen en de briefroman Werther, het zelfmoordkleinood van de Duitse romantiek.

De passages over het schrijven van Werther behoren tot de interessantste uit het boek. De jonge schrijver slingerde het in vier weken op papier, met zoveel snelheid 'waardoor geen onderscheid tussen het dichterlijke en het werkelijke wordt toegestaan', zoals hij erkent. Dat het autobiografische gehalte van veel van Goethe's werk hoog is, blijkt uit een zinsnede als deze opnieuw. Daarom is het ook roerend te lezen dat Gretchen aan het spinnewiel regelrecht uit de Dichtung overloopt naar de tragedie Faust. Goethe schreef Die Leiden des jungen Werthers (1774) zonder schema, geheel en al op intuïtie en concentratie. Door een klein bericht van iemands dood kwam hij op het idee: “Ik (vernam) zeer precieze en uitgebreide beschrijving van de omstandigheden waaronder deze had plaatsgevonden, en meteen was het plan voor Werther geboren. Het geheel viel van alle kanten bijeen, zoals het water in een vat, dat op het punt staat te bevriezen, door de geringste aanraking meteen in ijs verandert.” Het is op zijn minst opmerkelijk het woord 'ijs' in dit verband tegen te komen, en niet vuur; Goethe had evengoed kunnen schrijven dat een vonkje een heel olievat in lichterlaaie deed staan. Misschien wilde hij toch tussen zichzelf als hoofdpersoon èn als schrijver afstand scheppen.

Toen de jonge Goethe ongeveer zes, zeven jaar was, begon hij met dichten. De retorische behandeling van de verskunst beheerste hij al tot in zijn vingertoppen; aan lessen had hij niets, hij las op eigen houtje bloemlezingen van de toenmalige Duitse dichters. In het 'Eerste boek' schrijft Goethe unverfroren: “Wij knapen kenden een zondagse samenkomst waarop ieder door hemzelf vervaardigde verzen moest voordragen. Op deze samenkomsten overkwam mij iets wonderbaarlijks, hetgeen mij nog zeer lang onrustig maakte. Mijn gedichten, hoe ze ook waren, moest ik steeds weer als de betere beschouwen. Alleen, ik merkte al gauw dat mijn mededichters, die zeer ongenietbare dingen maakten, in dezelfde toestand waren en geen mindere dunk hadden van zichzelf. (-) Ik staakte zelfs mijn dichtwerk een poos, totdat ik uiteindelijk gerustgesteld werd door onbekommerd zelfvertrouwen en door een proefwerk dat leraren en ouders ons onvoorbereid opgaven, waarbij ik goede resultaten en algemene lof oogstte.”

Hier leren we een ambitieuze jonge Goethe kennen, zijn eer behalend bij gevestigde volwassen en neerblikkend op minderen. En hier is ook de Goethe aan het woord die we anderhalve eeuw later, in 1982 ter gelegenheid van zijn honderdvijftigste sterfdag, bij de Oostenrijkse toneelschrijver Thomas Bernhard tegenkomen. Voor Die Zeit schreef hij een even furieus als bewonderend stuk, Goethe stirbt, over Goethe's laatste uren. Goethe zou bijvoorbeeld een beeltenis van Schiller in handen hebben genomen en gezegd: “Het spijt me zo van alle zwakken die de groten niet evenaren kunnen, omdat zij de adem niet hebben!” Daarna legde hij de prent weg, en verzuchtte: “Wie na mij komt, krijgt het moeilijk.” Nog bonter maakt Bernhard het met de volgende volzin, gefluisterd door de nog steeds op zijn sterfbed liggende Goethe: “Wat ik heb geschreven, is ongetwijfeld het allerhoogste, maar het is ook dat waarmee ik de Duitse literatuur een paar eeuwen verder heb geholpen. Ik heb de Duitse literatuur verlamd.” Thomas Bernhard heeft Goethe's olympische droom goed begrepen; tot zijn belangrijkste bronnen behoorden, behalve de gesprekken die Eckermann voerde, Dichtung und Wahrheit.

In beide boeken is er een klokje dat telkens en telkens luidt en dat veel verklaart van Goethe's geesteshouding. Voor hem is het bijzondere, het eenduidige feit, de naakte gebeurtenis, altijd te weinig. Wat een dichter moet doen, zo verklaart hij herhaaldelijk, is van het bijzondere het algemene maken. In die zin bestaat Dichtung uit twee boeken; eerst is er de chronologische weergave van Goethe als kind, jongeman en ten slotte kunstenaar. Hierbij houdt de schrijver zich heel strikt aan zijn eigen levensfeiten. Maar hij wil meer: hij wil die feiten verdichten tot algemene stellingen van nu eens opvoedkundige, dan weer filosofische, literaire en theologische aard. Niets meer of minder. Dat levert tal van passages op waarin het pure leesplezier verdwijnt om plaats in te ruimen voor een studieuze, bijna nederige leeshouding.

Soepeler

Het is eigenlijk een ondenkbaar, onbestaanbaar boek Verdichting en waarheid. Van zo'n boek kan een schrijver dromen, het ten uitvoer brengen is een helse opgave. Dat was het niet voor Goethe. Hij beschikt, inderdaad, over de vereiste lange adem en ook over plezier in het schrijven. Het is bovendien een leeftijdloos boek; de jongste Goethe uit het begin verschilt nauwelijks van de oudere Goethe aan het slot. Ik vind dat een groot mankement. Het tienjarige kind geeft gerust hele verhandelingen over Ovidius' Metamorfosen, Britannicus van Racine, El Cid van Corneille en de verzamelde toneelstukken van Molière ten beste. Dit alles gelezen in het origineel.

De vertaling door E. Tjallinks is, zo meldt de flaptekst, 'uit puur enthousiasme voor leven en werk van Goethe' tot stand gekomen. Ik heb veel bewondering voor Tjallink's moed, want het is, als niet-germanist, een schier onmogelijke opgave. Hij had van mij brutaler en soepeler met het Nederlands mogen omspringen, want de vertaling ligt hier en daar erg strak tegen de Duitse meetlat; germanismen heeft hij niet altijd weten te omzeilen. Desalniettemin: het boek is er in het Nederlands, Verdichting en waarheid, voorzien van voorwoord en noten, goed leesbaar, en het zal me toch nog wel enige tijd bezighouden. Niet omdat ik het in een adem heb uitgelezen, verre van dat, ook niet omdat het zo spannend is, dat is het niet, wel omdat het op een merkwaardige manier als een ijkpunt werkt.

Wanneer onze ongenaakbare, als uit steen gehouwen Goethe in verwarring is, of de paniek van het verliefde dan wel troosteloze hart kent - goddank, het overkomt hem - dan is hij daar drie regels verderop alweer vanaf. Dan denkt hij aan het algemene en hogere in plaats van aan zijn bijzondere lot, vergelijkt hij zich met een protagonist uit de Bijbel of de klassieke oudheid - en de beheersing en de rust keren weer. En ook de opgeruimde levensmoed. Dat heeft iets ijzingwekkends intrigerends. Net als het slot, dat overigens schitterend is.

Goethe is op bezoek bij een jonge mejuffrouw. Herinneringen aan eerdere verliefdheden bezorgen hem hartzeer; die woelen in hem rond. Hij wil weg naar Italië, de vrouw steekt de haard aan alsof ze zijn emoties nog hoger wil oprakelen. Maar hij laat zich niet dwingen. Goethe kan niets anders uitroepen dan wat Egmont, de hoofdpersoon uit zijn eigen treurspel, uitriep: “Kind, kind, niet verder! Als door onzichtbare geesten opgezweept, draven de zonnepaarden van de tijd voor de lichte wagen van onze lotsbestemming en ons blijft niets anders over dan manmoedig de teugels vast te houden en nu eens links, dan weer rechts, hier van een steen, daar van een afgrond de wielen weg te houden. Waarheen, wie zal het weten? Waarvandaan, wie weet dat zelfs nog?”