Aangeraakt

'Meneertje', zei de dame met de hoed waarop twee gedroogde bloemen zaten gekleefd. 'Meneertje, ik kan zien dat u een goed hart hebt. Ik ben namelijk een beetje helderziend. Niet voortdurend, maar het is wel lastig als je weet wanneer de mensen zullen sterven.' Ze pakte mijn hand. 'Meneertje, ik kom uit Los Angeles met de auto en nu heb ik niet eens meer geld voor de benzine. Wilt u me laten lopen? Ik kom hier elk weekend. Vijf uur met de auto heen en vijf uur met de auto terug, maar dit is me nog nooit overkomen.' Ze opende haar handtas. 'Ziet u wel', zei ze, 'niets meer. Wat lippenstift. Uit Frankrijk. Toen mijn man nog leefde, reisden we naar Frankrijk. Maar wat moet ik nu in Frankrijk? Ik reis alleen nog maar hierheen. Elke vrijdag. Als ik wist dat u er wat aan had, zou ik u de lippenstift cadeau doen, maar wat moet u ermee?'

Een serveerster in het kortste rokje dat ik ooit had gezien, vroeg wat we wilden drinken. We bestelden twee cocktails en voor de dame ook nog een pakje sigaretten. Drank en sigaretten waren hier gratis.

Ik schoof twee machines op. Ze kwam achter me aan. Haar huid deed me denken aan die van een abrikoos die vergeten was op de fruitschaal.

'Meneertje, ik kom uit een goede familie. Als mijn man me zo zou zien, zou hij zich omdraaien in zijn graf. Maar ik geloof niet dat we elkaar ooit nog terugzien. Ik geloof niet in een volgend leven. Daarom heb ik er op los geleefd na zijn dood. Als je elkaar toch niet terugziet, waarom moet je je dan inhouden, vindt u niet? Hij had een eigen vliegtuig en koeien meneertje, als u eens wist hoeveel koeien mijn man had. Er is niets van over, want ik heb er op los geleefd. Mijn man heeft goed voor me gezorgd, meneertje, maar hij heeft me nooit aangeraakt. Al die vierendertig jaar dat we getrouwd waren. Voor ons huwelijk heeft hij me een paar keer aangeraakt, maar toen we eenmaal getrouwd waren, nooit meer. Hij raakte koeien aan en stieren en honden en naaktdanseressen, maar mij nooit. Ik heb me nooit beklaagd meneertje. Ik ben met opgeheven hoofd door het leven gegaan.'

We kregen onze drank. Met trillende handen stak ze een sigaret op. Er zaten bruine vlekken op haar handen.

'Alleen op zijn sterfbed, meneertje, toen heb ik het hem durven vragen. Hij zat onder de morfine, maar desondanks schreeuwde hij het uit van de pijn. Waarom heb je me toch nooit aangeraakt, vroeg ik. Ik had er geen tijd voor, zei hij.

Met zo'n antwoord kon ik vrede hebben. Het was dus niet omdat hij me vies vond of weerzinwekkend of omdat hij stiekem niet van vrouwen hield. Dat had ik nog wel het ergste gevonden, als hij had gezegd dat hij niet van vrouwen had gehouden.'

Ik keek niet meer naar haar, alleen nog naar de machine waarop ik speelde.

'Meneertje', zei ze, 'u had mijn kind kunnen zijn. Ik heb nooit kinderen gehad. Drie van onze dienstmeisjes hebben een kind van hem ontvangen. Ik ben als een moeder voor ze geweest, ook al viel het me wel eens moeilijk, want ze hadden de wreedheid van hun vader en de domheid van hun moeders. Illegale indianen, die nog geen A van B konden onderscheiden. Ik ben geen racist, meneertje, maar die mensen lopen drieduizend jaar achter in de evolutie. Ik wist dat mijn man snel dood zou gaan, ik ben toch helderziend. Daarom heb ik het bij hem uitgehouden. Nu is er niets van over. Niet van de boerderij, niet van het vliegtuig, niet van de koeien. Al wat ik u vraag is dertig dollar voor benzine. Dat ik terug kan naar huis. U laat me toch niet lopen, meneertje? Ik kan zien dat u een kunstenaar bent, een heel gevoelige.'

Ik deed het zoveelste biljet van honderd dollar in de machine.

'Ik ben een kakkerlak met geldpest', zei ik. Het waren geloof ik mijn eerste woorden.

'Nee, nee, meneertje', zei ze, 'ik heb veel kakkerlakken gezien. U bent geen kakkerlak. U wil er misschien graag een worden. U laat me niet lopen, meneertje, dat zie ik aan uw ogen.'

Ik haalde een biljet van vijftig dollar uit mijn borstzak.

Zwijgend borg ze het op in haar handtas.

Ze deed haar hoed af. Ze was zo kaal als een man. Alleen wat grijze slierten staken rechtop uit haar hoofd.

'Wilt u me aanraken?', fluisterde ze.

'Waar', vroeg ik.

Ze boog haar hoofd. Haar hoofdhuid voelde als die van een koekepan waarin honderd eieren waren gebakken, maar die nooit was schoongemaakt.

Ik stond op.

'Uw naam?', fluisterde ze.

'Mijn bijnaam is de Kakkerlak, dat moet genoeg zijn.'

Ik liep naar de roulettetafel.

Een dikke man met een bezweet hoofd zette vijfduizend dollar in, verloor, stond op en liep naar de volgende tafel. In de muur was een geldautomaat die alle bankpasjes accepteerde.

Na een uur kwam de dame met de hoed langs. 'Ga naar huis Kakkerlak', zei ze. Maar ik schudde mijn hoofd.

Om zes uur in de ochtend was er van de recette van Blauwe Maandagen op 160 aandelen KPN niets over. Ik stond op en liep naar het restaurant in de hoek van het casino waar ik een hamburger bestelde.

'Is dit uw ontbijt, uw diner of uw lunch?', vroeg de serveerster.

'Maak er brunch van', zei ik.

Ik voelde me noch ongelukkig, noch gelukkig. Hooguit licht verbaasd. De werkelijkheid was definitief surrealistisch geworden.

Ten slotte nam ik de lift naar mijn kamer op de zesendertigste verdieping. Beneden mij strekte Las Vegas zich uit. En daarachter, de woestijn. Tot zover het oog reikte, de woestijn. Niets dan de woestijn.