Zeeuwen ontsteld over plan dijken door te steken

Plannen om langs de Westerschelde dijken door te steken, stuiten op verzet van de Zeeuwse bevolking. Vooral de boeren zijn furieus over de 'ontpoldering'.

TERNEUZEN, 15 FEBR. Bij A. Rijk voor de deur staan de scholeksters wormen uit de grond te trekken. Hij heeft een camping in Zeeuws-Vlaanderen, aan de voet van de Scheldedijk: 120 vaste plaatsen voor stacaravans en dertig voor passanten. “De zaak draait prima”, zegt de 47-jarige vrijgezel van boerenkomaf, “maar of het zo blijft?” Er hangt een donkere wolk boven zijn nering, die op de nominatie staat te verdwijnen om de natuur ter plaatse ruim baan te geven.

Hellegatpolder heet de plek, een van de vijf, ooit aan het water ontrukte agrarische gebieden die volgens rijk en provincie in aanmerking komen voor 'ontpoldering'. De term houdt in dat de dijk wordt afgegraven, zodat er weer schorren en slikken kunnen ontstaan. Dit soort ingrepen en een reeks buitendijkse maatregelen vallen onder de noemer 'natuurherstel', een vorm van compensatie die de verwachte verliezen aan flora en fauna moet vergoeden.

Krachtens een verdrag tussen Nederland en het Vlaamse gewest, vandaag behandeld in de Tweede Kamer, zal de Westerschelde op diverse plaatsen worden uitgediept om de vaarroute naar Antwerpen te verbeteren. Het baggerwerk heeft een schadelijk effect op het ecosysteem van de zeearm: een verlies van bijna vijfhonderd hectare aan schorren, slikken en ondiep water, waar zich een bloeiend plantaardig en dierlijk leven heeft ontwikkeld. Als het aan de overheid ligt, wordt echter eenzelfde oppervlak weer aan de natuur teruggegeven, onder andere door die 'ontpolderingen', maar veel Zeeuwen staan bij dat woord alleen al op hun achterste benen.

De zaak ligt extra gevoelig door de watersnood van 1953. 'Dijken hoor je te bouwen en niet af te breken' is de leus. Maar ook los daarvan laaien de emoties hoog op, vooral bij de boeren, die fel gekant zijn tegen het prijsgeven van territorium ter wille van natuurherstel. In één geval, Ellewoutsdijk in Zuid-Beveland, is sprake van een opeenstapeling van grieven. Daar komt, zeer tegen de zin van de bevolking, een tunnel naar Zeeuws-Vlaanderen te liggen en ze hebben er vlak in de buurt al een kerncentrale. Het 'ontpolderen' van de Everingepolder zou tegen die achtergrond niet te verdragen zijn, heeft de dorpsraad al laten weten.

Ook in de Zeeuwsvlaamse Hellegatpolder heerst grote beroering. Campinghouder Rijk geeft nog betrekkelijk rustig commentaar: “Ons vertrek zou een onherstelbaar verlies betekenen voor al die mensen die hier hun vaste stek hebben. Meest Vlamingen uit Antwerpen. Sommigen komen hier al dertig jaar, ze zijn gehecht aan de plek en willen niets anders. Ik ben vóór de natuur, maar dit is niet te verkopen.”

In een regionaal blad getuigde de 82-jarige D. van den Beek van hevige ontsteltenis. Hij was in 1925 als dijkwerker betrokken bij het dichten van het Hellegat, tot dan een inham van de Westerschelde, en moest nu vernemen dat de kering wellicht wordt doorgestoken: “Complete waanzin, een belediging voor de diekers.”

In de campingkantine, bij een knappend houtvuur, schuift de 54-jarige M. Vinke aan, boerenleider in Zeeuws-Vlaanderen en pachter van een lap grond in de Hellegatpolder, waar hij tarwe, aardappelen en vlas verbouwt. Hij is laaiend over de voorstellen: “Als ze die ontpoldering doorzetten, zal ik mijn achterban oproepen om met z'n allen de dijk op te trekken. Dan moet Rijkswaterstaat met zijn draglines eerst de boeren wegschuiven.”

Ook Vinke verklaart zich “vóór de natuur”, maar volgens hem heeft de Zeeuwse boerenstand terwille van plant en dier voorlopig genoeg terrein afgestaan: “We zouden de eerste twintig jaar met rust gelaten worden en nu komt, amper twee jaar later, uit de Randstad het onzalige idee om dijken door te steken. Laten ze de Haarlemmermeer maar onder water zetten, dan ligt de milieuwinst voor het grijpen.”

Mikpunt van de aversie is ook de Zeeuwse gedeputeerde J.G. van Zwieten, voorzitter van het Bestuurlijk Overleg Westerschelde, waarin afgevaardigden van provincie, gemeenten en waterschappen zitting hebben. Samen met Rijkswaterstaat liet dit platform de fel omstreden studie naar natuurherstel uitvoeren als advies aan minister Jorritsma (Verkeer en Waterstaat), die een beslissing moet nemen.

Van Zwieten heeft begrip voor de opgelaaide hartstochten: “En juist daarom willen we via hoorzittingen alle partijen bij de plannen betrekken. Zelfs de kleinste boer moet het idee krijgen dat we met zijn belangen rekening houden. Voor mij is hij net zoveel waard als de grootste natuurorganisatie.”

Alle plannen bij elkaar bestrijken een oppervlak van 1.500 à 2.000 hectare, terwijl ter compensatie slechts vijfhonderd hectare nodig is. “Wat we de minister voorleggen”, aldus Van Zwieten, “is dus een reeks alternatieven, waaruit ze een keus kan maken. Als het om buitendijks terrein gaat, is er niets aan de hand, daarover zijn de meningen onverdeeld, maar ook aan ontpoldering valt waarschijnlijk niet te ontkomen. Daarvoor staan vijf gebieden op de nominatie, maar ik denk dat het bij één, hooguit twee gevallen zal blijven. En dan kiezen we natuurlijk die polders waar we met de boeren tot zaken kunnen komen, een kwestie van compromissen sluiten, al blijft het dansen op het slappe koord.”

De kosten van het Zeeuwse natuurherstel zouden circa 260 miljoen gulden bedragen. De Belgen hebben in het kader van het Scheldeverdrag 44 miljoen toegezegd. Van Zwieten verwacht ook een aanzienlijke bijdrage van het rijk: “Overeenkomstig eerdere uitspraken dat voortaan bij grote infrastructurele werken een flink deel van de kosten wordt besteed aan het milieu.” En de provincie? “Het ligt niet voor de hand dat de provincie meefinanciert. Dit is ten slotte een zaak van het rijk.”