Werken aan wortels

Deze maand beslist de EU over de toelating van genetisch gemanipuleerde voedselgewassen. Het gaat vooral om gewassen die resistent zijn tegen onkruidbestrijdingsmiddelen en gewassen met een ingebouwd gif tegen rupsen.

Met de genetisch gemodificeerde voedingsmiddelen gaat het in de Europese Unie helemaal de verkeerde kant op, schreef de Stichting Natuur en Milieu begin november in een persbericht. De stichting maakt vooral bezwaar tegen de gewassen die dankzij een bepaald bacterie-gen niet dood gaan van de onkruidbestrijdingsmiddelen glufosinaat-ammonium en glyfosaat. Volgens de stichting passen deze rassen niet bij een schonere landbouw. Want ze geven de boeren extra mogelijkheden onkruidbestrijders te spuiten.

Het zaadbedrijf Van der Have in Kapelle, die met herbicide-resistente mais en bieten op de markt wil komen, meent dat de stichting het niet goed begrijpt. 'Een kwestie van slecht lezen', noemt woordvoerder drs. T.A.W.M. Saat het misverstand. De nieuwe rassen passen volgens hem juist uitstekend in een duurzamer landbouw. Want hiermee kan de boer eindelijk glufosinaat en glyfosaat in de mais- en bietenteelt gebruiken. Van deze moderne middelen hebben boeren een stuk minder nodig dan van de middelen die ze nu gebruiken, en ze breken gemakkelijker af.

Natuur en Milieu gelooft niet dat de boer minder gaat spuiten. Ze vreest zelfs dat hij meer zal spuiten, omdat hij met de resistente rassen niet bang hoeft te zijn dat de plantendoders ook het gewas aantasten. Nu al, stelt de stichting, vervuilen glufosinaat en glyfosaat - die ook wilde flora doden - het water in een mate die de EU-norm voor de maximale besmetting overtreft. Maar Saat haalt daarop cijfers aan van het Centrum voor Landbouw en Milieu, die aantonen dat boeren alleen plaatselijk boven de norm zitten en alleen in het najaar.

Binnenkort beslist de EU-commissie over het op de markt brengen van de eerste voedselgewassen die veredeld zijn via genetische manipulatie of, zoals men tegenwoordig liever zegt, genetische modificatie. Bij deze nieuwe veredelingstechniek, die begin jaren tachtig mede door Leidse biochemici is ontwikkeld, zetten biotechnologen rechtstreeks DNA in het erfelijk materiaal van de plant. Vaak gebruiken ze hiervoor de bodembacterie Agrobacterium tumifaciëns. Van nature zet deze stukjes eigen DNA in het DNA van de plant, om zo zichzelf te kunnen vermeerderen. In het laboratorium laten de biotechnologen hem genen in de plant zetten, die voor de landbouw interessant zijn.

Omstreden

Genetische manipulatie was rond 1990 nogal omstreden. Veel publiciteit kreeg het omploegen van proefveldjes door actiegroepen als Ziedende bintjes en Vurige virussen. Nu lijkt de discussie wat geluwd. Als het om planten gaat, zijn er toch weinig groepen die zich tegen het doorbreken van soortsgrenzen verklaren. Wel is Natuur en Milieu afgelopen jaren zo'n veertig keer in beroep gegaan tegen veldproeven omdat ze vond dat er niet genoeg risico-onderzoek was gedaan - de meeste beroepszaken tevergeefs. In november verzette de stichting zich ook tegen de typen gewassen waar de zaadbedrijven mee komen. Precies hierop hebben ook vertegenwoordigers van de Biologische landbouw, de Alternatieve konsumentenbond en Derde-wereldorganisaties vaak kritiek.

Onder de eerste gewassen die nu in de EU en in Amerika op de markt komen zijn twee typen opvallend dominant: de gewassen die niet dood gaan van onkruidbestrijdingsmiddelen, en de gewassen die niet kunnen worden aangetast door rupsen dankzij een gen uit de bacterie Bacillus thuringiensis (Bt).

Van de vijf rassen waarover de EU in maart beslist, zijn er drie resistent gemaakt tegen onkruidbestrijders, waarvan er twee bovendien mannelijk steriel zijn gemaakt ten behoeve van een hogere opbrengst. Het gaat om de sojabonen van de Amerikaanse multinational Monsanto (die wordt gebruikt als veevoer), de mannelijk steriel gemaakte koolzaad van het Belgische Plant Genetic Systems (waar olie wordt uitgehaald) en de mannelijk steriel gemaakte roodlof van het Nederlandse zaadbedrijf Bejo-zaden.

De EU heeft de tabak van het Franse zaadbedrijf SEITA, resistent tegen onkruidbestrijder bromoxynil, twee jaar geleden al toegelaten. In Amerika zijn van de zeven al toegelaten gewassen, er twee resistent tegen onkruidbestrijdingsmiddel.

Voor dit succes is wel een reden: “Men vraagt zich wel af waarom wij als eerste met herbicide-resistente gewassen komen terwijl die nu juist zo omstreden zijn”, verklaart biotechnoloog Saat, “Dat komt omdat de testen sneller gaan. Een onkruidbestrijdingsmiddel kunnen we aan weefselkweek kweken toevoegen, en dan is meteen te zien of het inbrengen van het bacterie-gen is gelukt. Of een plant resistent is tegen insekten of tegen virussen, zie je pas als het een volwassen plant is.”

Landbouwkundigen zijn het er over eens dat glufosinaat en glyfosaat beter worden afgebroken dan de 'oudere' middelen, en dat de boeren minder hoeven te gebruiken. Maar tegelijkertijd hoeven de boeren ook niet meer zo voorzichtig te zijn omdat de gewassen toch niet dood gaan. Of er dus meer of minder gespoten wordt, zal afhangen van de houding van de boeren, de prijsontwikkelingen, de snelheid waarmee onkruid resistent wordt en van de ontwikkeling van betere technieken voor mechanisch wieden.

Patstelling

En daarmee zit de discussie in een patstelling. Van der Have verwacht dat de boer minder gaat spuiten vanwege de kostprijs van onkruidbestrijders. Natuur en Milieu gelooft daar niet in, gezien het huidige niveau van spuiten. De stichting wil daarom dat de EU de nieuwe rassen verbiedt, omdat ze niet stroken met een duurzame landbouw. Maar áls de meerderheid van de lidstaten dat al zou willen, zou dat niet kunnen. De EU wil namelijk het op de markt brengen van genetisch gemodificeerde gewassen alleen verbieden, als de planten aantoonbaar een risico vormen voor mens of milieu, bijvoorbeeld omdat de 'vreemde' genen zich verspreiden over wilde verwanten, of omdat ze giftig zijn voor bodemdieren of voor de mens. De wet biedt daarmee geen juridisch handvat om argumenten als 'niet passend in een duurzame landbouw' mee te nemen in de beoordeling.

Op dit procedurele punt laat ook de Stichting Consument en Biotechnologie van zich horen, die zich hard maakt voor de belangen van de consument: “Dat elk ras uitsluitend op zichzelf wordt beoordeeld zien we als een groot manco” zegt drs. F. van Dam. “Een case kan niet in een bredere context worden geplaatst.”

Tweede in de rij zijn de gewassen met een gen uit de bacterie Bacillus thuringiensis (Bt). Deze bacteriën maken eiwitten, Cry-eiwitten geheten, die dodelijk zijn voor rupsen, kevers en vliegen. Het bacterie-eiwit bindt aan receptoreiwitten op de darmcellen, waardoor de insektendarm kapot gaat. Er zijn tientallen Cry-eiwitten, afkomstig uit verschillende bacterie-stammen. De gewassen die nu op de markt komen, bevatten echter vrijwel allemaal het zogeheten Cry1A(b)-gen, dat codeert voor een eiwit dat dodelijk is voor rupsen.

In juni zette de Amerikaanse Union of concerned scientists onder de titel 'te veel van het goede', op een rijtje hoeveel bedrijven met dit type gewas op de markt willen komen. Zo'n twintig Amerikaanse bedrijven zijn bezig met mais, rijst, katoen, appel, tomaten, koolzaad, walnoot, tabak en aardbeien, die het Cry1A(b)-gen bevatten. De bezorgde onderzoekers halen Ciba Geigy aan, die zegt te verwachten dat binnen vijf jaar 75 procent van de Westerse maismarkt zal bestaan uit deze mais. De mais ligt nu ook bij de EU te wachten op toestemming.

Met zoveel dezelfde rupsendoder in de velden zullen de insekten binnen een paar jaar resistent zijn, voorspellen de Amerikaanse critici. De gemodificeerde planten maken het bacterie-eiwit ook nog eens continu aan, waardoor de resistente insekten voortdurend in het voordeel zijn en alle tijd krijgen hun minder gelukkige soortgenoten te verdringen. En áls de insekten eenmaal resistent zijn, betekent dat het einde van de bestrijdingsmiddelen gebaseerd op B. thuringiensis. Deze middelen worden nu veel gebruikt in de Ecologische landbouw. Ze bevatten hetzelfde Cry1A(b)eiwit. Resistentie ertegen is nog mondjesmaat waargenomen, omdat de eiwitten binnen twee weken door de zon worden afgebroken.

Grootschalig

Dr. W.J. Stiekema, wiens groep op het plantenveredelingsinstituut CPRO-DLO werkt aan de bacterie-genen, zegt blij te zijn de misverstanden rond de Bt-resistentie uit de weg te kunnen helpen. Grootschalige invoering van gewassen met hetzelfde CryA1(b)-gen, acht hij een gegeven. Maar daarmee is het niet gezegd dat het insekt ook snel resistent zal zijn: “We weten helemaal niet wat er gaat gebeuren”, stelt de Wageningse onderzoeker. “Een insekt wordt resistent doordat hij de receptor niet meer maakt die bindt aan het bacterie-eiwit. Maar misschien kan hij dat zomaar niet doen, omdat deze receptor in de darmcellen een belangrijke functie vervult.”

Daarnaast werken biotechnologen hard aan een tweede generatie insektenresistente planten gebaseerd op meerdere genen uit Bacillus thuringiensis, vertelt Stiekema. Bedrijven halen deze bacteriën overal op de hele wereld uit dode insekten en uit de bodem, en screenen ze op interessante genen. Inmiddels zijn er zo'n vijftig verschillende genen gepatenteerd die allemaal coderen voor andere insektendodende eiwitten. Al die verschillende Cry-eiwitten binden ook aan verschillende receptoren in de insektendarm. De genen hiervoor kunnen ze in de plant zetten; hoe meer Cry-eiwitten de plant maakt, hoe moeilijker het insekt resistent wordt. Het CPRO knipt tegenwoordig Crygenen in stukjes, en voegt delen ervan samen om zo een synthetisch gen te krijgen. Zo kan het proberen eiwitten te ontwerpen die binden aan verschillende receptoren, en die bovendien dodelijker zijn voor het insekt. En mocht de plant zelf niet voldoende Cry-eiwitten bevatten, dan kan de boer ook nog spuiten met meerdere Cry-eiwitten.

Intussen zijn er jaarlijks congressen van bedrijven en onderzoekers gericht op het voorkomen van resistentie. Onlangs heeft een adviescommissie van de OECD de strategieën in een boekje gebundeld. “Er is nog nooit zoveel nagedacht over de gevolgen van nieuwe gewassen als bij Btresistentie”, merkt Stiekema op. “Men stelt veel hogere eisen aan Bt-genen, dan aan chemische middelen.”

Vluchtrij

Een vaak uitgevoerde teeltmaatregel is om een rij met 'gewone' gewassen te zetten, naast de gemodificeerde gewassen. In die 'vluchtrij' kunnen de niet-resistente insekten zich vermeerderen. Stiekema verwacht dat in het Westen, waar de voorlichting goed functioneert, dergelijk resistentie-management snel genoeg van de grond zal komen. In de Derde wereld voorziet hij problemen. Daar zal het belangrijker worden om gewassen te veredelen waarin meerdere Cry-genen zijn ingebouwd. En de boeren kunnen ook verschillende Cry-eiwitten spuiten.

De Union of Concerned Scientists weet van deze inspanningen, maar gelooft niet dat het resistentie-management voldoende van de grond zal komen, ook niet in het Westen. De plannen zijn te weinig uitgewerkt. En hierbij verwijst de Union naar de dit jaar in Amerika toegelaten aardappelen van Monsanto. Monsanto is alleen gevraagd het resistentie-management te evalueren, maar heeft geen beperkingen opgelegd gekregen ten aanzien van de verspreiding van de aardappelen.

De kans is echter klein dat de critici het tij nog kunnen keren waar het gaat om de gewassen die resistent zijn tegen onkruidbestrijdingsmiddelen. Een woordvoerder van de EU-commissie wil - als we zijn naam niet noemen - wel voorspellen dat de EU alle vijf de gewassen zal toelaten. Gemanipuleerd koolzaad is inmiddels al goedgekeurd.

Etikettering

Natuur en Milieu heeft nog een reden om teleurgesteld te zijn. Ze had gehoopt met etikettering van de gewassen alsnog een instrument in handen te krijgen om de veredeling te sturen. Want met een etiket op de groenten waarop staat dat de gewassen genetisch gemanipuleerd zijn, en dat gecombineerd met voorlichting, kan de consument eventueel weigeren een bepaald produkt te kopen.

Maar etikettering lijkt maar zeer beperkt te gaan lukken. De maatschappelijke organisaties en de biotechnologie-bedrijven hebben in april wel afgesproken dat op genetisch gemodificeerde gewassen in principe een etiket komt waarop staat 'gemaakt met de moderne biotechnologie'. Maar hoe moet dat met de suiker uit gemodificeerde suikerbieten, vragen bedrijven zich af. Suiker zit in vla, koekjes, brood en jam, en wil de suikerindustrie de bietenstromen wel scheiden? Daarnaast is het oncontroleerbaar of olie in margarine uit gemodificeerde of uit klassiek veredelde koolzaad komt. De Nederlandse wet kan ook alleen de eerste schakel in de keten - de zaadbedrijven in dit geval - verplichten het produkt te etiketteren. Willen marktkooplieden, groenteboeren en supermarkten ook meewerken?

In oktober heeft de EU-ministerraad bovendien besloten dat gemanipuleerde gewassen met verbeterde 'agronomische eigenschappen' niet geëtiketteerd hoeven te worden, evenmin als gewassen die 'niet substantieel' zijn veranderd. Waarmee de weg vrij is gemaakt om herbicide-resistente en insektenresistente gewassen hiervan uit te sluiten.

Tegen die laatste EU-beslissing stemden Duitsland, Denemarken, Oostenrijk en Zweden, die in het algemeen een strenger beleid willen. Zij hebben zelf nauwelijks biotechnologie-industrie, en de consumenten hechten er meer waarde aan natuurlijke produkten. Natuur en Milieu lijkt nu hier haar hoop op te hebben gesteld.

Flavr savr

Buiten de EU om vroeg de Bundesverband Deutscher Fruchthandelsunternehmen in juni alle Europese fruit- en groentenexporteurs om een verklaring dat de leveringen niet genetisch zijn gemodificeerd. De Nederlanders hebben per kerende post een verklaring terug gestuurd. Dat was geen probleem, vertelt de secretaris, want er zijn nog geen genetisch gemodificeerde groenten en fruit op de markt. En gezien er nu voornamelijk handelsgewassen voor de verwerkende industrie op de plank liggen, zal het nog wel even duren voor de groenten- en fruitsector ermee te maken krijgt.

Aan de enige groente die al op de Amerikaanse markt is, de hardgemaakte Flavr savr tomaat die over lange afstanden kan worden vervoerd, heeft Europa geen behoefte. En bovendien, zo weet de secretaris van de Nederlandse exporteurs, is de tomaat een commerciële flop.