Vorstverlet

Zo kon het niet langer, dit was te gek. Dagen achtereen stond ik 's morgens in het donker bij de halte van lijn 8 in maillot, windjack en wollen muts temidden van Haagse heren in winterjassen met koffertjes. Twee uur later rinkelden mijn schaatsen hun eerste meters langs het riet, buigend onder de strakke poolwind. Op zoek naar ritme en balans, op jacht naar snelheid en gratie, de eerste moeheid weggejaagd door warme chocola achter een bol staand dekzeil, de schaatsen vaster gedaan en later ook weer losser.

Zo maakte ik de uren rond en vond aan de rand van de dag in de ondergaande zon mijn schoenen in het witte gras. 's Avonds strompelde ik het huis weer binnen, waar de telefoon al ging voor de volgende samenzwering op het ijs. Nieuwkoop, Jisp, Noordeloos, Stavoren, Giessenburg, Parrega, in trance koerste ik koortsig af op uitputting en instorting. Maar toen spreidde de zuidenwind zijn warme deken uit, de regen spatte kringen in donkere plassen op het ijs, de betovering was verbroken, het was voorbij.

Voorbij 't Heerenhuis in Spijkerboor, waar in het lage licht achter het oude raam op een tafel met borrels en bier de laatste stempel werd gehaald. Voorbij ook de avond dat we tussen Workum en Bolsward alleen op de wereld met een vlucht ganzen een gele volle maan tegemoet schaatsten. En ook het jongetje op scheve schaatsjes achter een stoel voor een huisje aan de dijk, dat op de vraag waar we hier waren over de wapperende waterkaart antwoordde: “Bij Oma.”

Na de gebukte tocht tegen de zuidooster de snelle glijvlucht over het zwarte ijs langs de molen Loon naar Werk. 's Avonds op sokken terug in het treintje van Leeuwarden naar de geparkeerde auto in Stavoren, achter de bebloemde ruiten in het donker het bevroren land, dat ik nog nooit boven nul heb gezien.

Voorbij, het ijs zinkt weg onder de golven, mijn schaatsen liggen in de gang, de telefoon gaat niet meer, de koorts is geweken. Maandag stond ik er weer, bij de halte van lijn 8, in winterjas met koffertje.