'Vader excelleert over rug van moeder'; Pedagoge Doornenbal over opvoeden in jaren negentig

GRONINGEN, 15 FEBR. Ouders vinden het tegenwoordig belangrijker dat hun kind 'open en spontaan' is dan dat het 'gehoorzaam' is. 'Kan mijn kind makkelijk contact maken' en 'vertelt mijn kind me onbelemmerd wat hem bezighoudt' zijn voor hen prangender vragen dan 'heeft mijn kind respect voor anderen' en 'gedraagt hij zich wel netjes'.

Dit schrijft pedagoge J. Doornenbal in haar proefschift 'Ouderschap als onderneming. Moeders en vaders over opvoeden in de jaren negentig', waarop ze vanmiddag aan de Groningse Universiteit is gepromoveerd. Moderne ouders, merkte Doornenbal, zoeken naar een nieuw evenwicht tussen liefde en autoriteit. In de praktijk blijken vooral vaders erin te slagen 'steun' en 'gezag' te combineren en de betere ouder te zijn.

Dat steekt Doornenbal vanuit feministisch oogpunt, ook al omdat nog steeds vooral vrouwen het leven van de kinderen regelen. “Er ontstaat een nieuw machtsverschil”, schrijft ze bitter, “vaders excelleren over de rug van moeders.” In een toelichting zegt de pedagoge: “Als je deze nieuwe ideale vaders van de jaren negentig vraagt hoe ze het doen, geven ze zonder blikken of blozen toe dat ze de zorgzame kant hebben afgekeken van hun vrouw en voor het vaderlijk gezag teruggrijpen op hun eigen opvoeding.”

Doornenbal baseert haar bevindingen op gesprekken met vijftig ouderparen uit Groningen. De pedagoge vroeg hun hoe ze hun zes- tot negenjarige kind opvoedden. Representatief voor heel Nederland is haar steekproef niet. Zo stemmen bijna alle ondervraagde ouders 'linksig', en sprak Doornenbal naar verhouding met te weinig ouders uit de arbeidersklasse. Bovendien is nooit uit te sluiten, erkent de onderzoekster, dat de ouders sociaal wenselijke antwoorden geven. Maar ze vond zoveel overeenkomsten in de verhalen van de ouders dat die volgens haar “niet louter op toeval” kunnen berusten.

Doornenbal wilde weten hoe 'gewone ouderparen' in de jaren negentig inhoud geven aan hun ouderschap. Ze vermoedde dat het in deze gezinnen “is gaan rommelen” sinds de jaren zestig toen machtsverhoudingen werden opengebroken, tussen mannen en vrouwen èn tussen ouders en kinderen. Moeders werken vaker buitenshuis terwijl hun zorgtaken binnenshuis nauwelijks afnemen. Het moderne gezin oogt steeds meer als een 'miniparlement' - iedereen heeft inspraak, de hoogte van het zakgeld wordt 'uit onderhandeld' en het compromis niet geschuwd.

Maar veel vuurwerk over taakverdeling en opvoeding heeft die culturele verandering moderne ouders naar eigen zeggen niet gebracht, constateert Doornenbal. Ze signaleert wel spanningen over de taakverdeling, vooral bij ouders die modern denken, maar traditioneel doen en bij gezinnen waar de man fulltime werkt en de vrouw in deeltijd. Maar conflicten hierover blijven meestal uit doordat de moeders instemmen met de scheve verhoudingen. Wel bleek dat ouders vaker ruziën en twijfelen over opvoeding naarmate hun inkomen hoger is. Hoe dat komt weet Doornenbal niet. Sommige ouders gaan om gezag lachen, het ironiseren, anderen betichten zichzelf van een 'te hoog meneer-Aart-gehalte' (de autoritaire man uit Sesamstraat), en weer anderen stellen liever geen grenzen - bij hen overheerst de saamhorigheid, 'het gezin als clubidee'.

Een groot deel van de ouders heeft wat Doornenbal noemt 'opvoedkundig partnerschap' bevochten. In die gevallen rust de zorgtaak nog steeds vooral op de schouders van de vrouw en stopt de vader niet veel tijd in de opvoeding, maar is hij de moeder wèl emotioneel tot steun, begrijpt hij haar. “Bij deze moderne ouders regelen de vrouwen vaak nog steeds de zorg”, zegt Doornenbal. “Ze plannen het leven van hun kinderen, organiseren een kappersbezoek, kopen kleren en verjaardagscadeautjes, noem maar op. Ze redden het redelijk samen door hun taken niet op een goudschaaltje te wegen, maar door allebei te doen waar ze het beste in zijn.”

Redenen waarom moderne vrouwen hiermee genoegen nemen zijn velerlei, zo vond Doornenbal. Soms gaan ze akkoord omdat ze geen kans zien externe factoren zoals hun positie op de arbeidsmarkt te veranderen. Of ze stemmen ermee in 'om de lieve vrede' of uit angst dat ze de macht kwijtraken die hun zorg hen verschaft. Energie besteden aan opvoeden levert ouders namelijk in de ogen van de onderzoekster op twee manieren profijt op: ze ontlenen er voor een belangrijk deel hun identiteit aan en het geeft hen zeggenschap over de opvoeding, en dus over het gezin.

Als het opvoedkundig partnerschap eenmaal een feit is, ligt de ideale ouder uit de jaren negentig binnen het bereik, zegt de pedagoge. Die ouder - in de praktijk meestal de vader - weet liefde en steun, rust en gezag optimaal te combineren, zo zeggen zowel ondervraagde vaders en moeders. Moeders zijn ook wel liefdevol en tot steun, maar ontberen vaak het gezag, kunnen de afstand niet opbrengen.

En vooruitgang, is die er niet? Even denkt Doornenbal na en dan zegt ze: “Vaders en moeders leren van elkaar, spreken meer en meer elkaars taal. Wie had in de jaren vijftig kunnen denken dat een vader mij nu zou zeggen: 'Ik doe alles wat de moeder doet, behalve dat ik de kinderen niet gebaard heb'?”