Referendum

DE INVOERING van het correctief wetgevingsreferendum is sinds gisteren weer een stapje dichterbij gekomen. In de Tweede Kamer werd duidelijk op welke voorwaarden de coalitie straks zal instemmen met dit instrument. Of het referendum werkelijk zal worden ingevoerd blijft overigens de vraag. Aangezien het hier om een wijziging van de Grondwet gaat, zullen ook een nieuw gekozen Tweede en Eerste Kamer - en dan met een meerderheid van tweederden - akkoord moeten gaan. Die benodigde meerderheid in een volgende kabinetsperiode is nog verre van zeker. Dat heeft het debat in de Tweede Kamer van deze week evenzeer duidelijk gemaakt.

Het CDA is tegen het referendum. De VVD eigenlijk ook, maar beschouwt haar instemming als de “prijs voor paars” zoals de liberale woordvoerder Te Veldhuis tijdens het debat zei. Hoe de VVD zich in een volgende regeerperiode ten aanzien van dit punt zal opstellen, liet hij in het midden. Daarom: D66 heeft wel meer zicht gekregen op één van haar kroonjuwelen, binnen is de buit nog lang niet. DE ARGUMENTEN voor en tegen het referendum zijn inmiddels afdoende gewisseld. Het kernpunt blijft steeds in hoeverre men aan het principe van de vertegenwoordigende democratie wil blijven vasthouden. Het parlement wordt geacht een integrale belangenafweging te maken, terwijl het referendum veelal een uiting van de one issue democratie is. De gevolgen daarvan galmden juist de afgelopen dagen nog door in dezelfde vergaderzaal van de Tweede Kamer. Het niet doorgaan van de stadsprovincie houdt immers direct verband met het referendum dat in Rotterdam is gehouden over het opsplitsen van de stad.

Het referendum vergt allereerst een principiële keuze. Strikt genomen doet dan de vervolgvraag over de voorwaarden waaronder een volksraadpleging moet worden gehouden vreemd aan. Het moet kunnen, maar het mag ook weer niet te gemakkelijk worden gemaakt. Wie bang is voor een 'ballentent', zoals minister-president Kok enige tijd geleden stelde, kan er maar beter helemaal niet aan beginnen. Een referendum dat wordt voorzien van allerlei beperkende voorwaarden is te vergelijken met een Formule-1-auto waarin direct bij aanschaf een snelheidsbegrenzer wordt aangebracht.

De drie coalitiepartijen hebben gisteren een compromis bereikt over de voorwaarden voor het houden van een referendum. De eis van de VVD om pas een volksraadpleging te organiseren als 1,1 miljoen mensen daarvoor hun handtekening hebben gezet (tien procent van het aantal kiesgerechtigden) werd weggestreept tegen de akkoordverklaring van PvdA en D66 om aantallen in de Grondwet op te nemen. De ook in het kabinetsvoorstel gehanteerde drempel van 600.000 handtekeningen (vijf procent van het aantal kiesgerechtigden) komt nu in de Grondwet te staan. DE VVD STOND er op de aantallen in de Grondwet op te nemen om de voorwaarden voor een referendum niet uit handen te geven aan een onzekere toekomstige wetgever. Op zich is dat zuiver gedacht; zeker als de politieke wordingsgeschiedenis van dit voornemen erbij wordt betrokken. De kwestie wordt echter al academischer als bedacht wordt dat in het kabinetsvoorstel stond dat over aantallen per gewone wet, maar wel met een gekwalificeerde meerderheid van tweederden moest worden beslist. Het voornaamste bezwaar tegen het nu bereikte compromis is dat de Grondwet wordt opgezadeld met - arbitraire - getallen. Bij de vorige grondwetsherziening was het streven er juist op gericht de wet op dat punt zo veel mogelijk te schonen.

Nog belangrijker dan de voorwaarden zijn de onderwerpen waarover straks een referendum kan worden georganiseerd. Weinig thema's zijn uitgesloten. Het kabinet heeft echter nog steeds geen standpunt ingenomen over de vraag of grote infra-structurele werken straks wel of niet onderwerp van een volksraadpleging kunnen zijn. Toch zal dat straks de indicatie zijn hoe serieus het instrument werkelijk wordt genomen.