Ratten en mijnen temperen euforie onder militairen

Nederlandse militairen in Bosnië tonen zich bij het bezoek van minister Voorhoeve (Defensie) optimistisch over de nog jonge vrede. Sommigen zien nog wel gevaar.

SISAVA, 15 FEBR. “Je ziet ze wel nieuwe stellingen maken in de tien-kilometerzone, maar het is meer uit achterdocht”, zegt majoor Ton Nijkamp over de voormalig strijdende partijen in Bosnië. Nijkamp is staflid van het bataljon Limburgse Jagers, dat deel uitmaakt van de vredesmacht IFOR in Bosnië.

De majoor ziet geen direct gevaar. “Groot vertoon kom je niet tegen en als straks het wegtrekken naar de kazernes medio april even geordend gebeurt als de ontruiming bij de scheidslijn, dan gaat het nog de goede kant op.”

Zijn landkaart heeft hij opgehangen in de uitgeleefde tv- en filmkamer van het 'sneeuwhotel' Babanovac in het ski-oord op 1.800 meter hoogte in Sisava. “Alles gaat naar wens. De drie partijen in het gebied van de 5.000 vierkante kilometer waar wij patrouilleren, houden zich tot nu toe aan de regels”, aldus Nijkamp. “Maar 18 april (D-day plus 180 dagen, red.) is weer een zeer belangrijke datum. Dan moeten alle zware wapens en alle soldaten terug in de kazernes of thuis zijn. Wat daarna gebeurt is onzeker.”

De euforie van de majoor wordt door veel militairen gedeeld, al waarschuwt eerste-luitenant Fridsma van het A-team voor verkenningen “dat de bevolking nog niet zo goed laat merken wat ze van alles vinden”. “Dat gedrag kunnen we niet goed plaatsen, maar het geeft te denken.”

Grote dreiging vormen de meer dan 500.000 tot een miljoen mijnen in dat gebied. De strijdende partijen hebben in Dayton de opdracht gekregen die mijnen zelf te ruimen, maar daar is pas op kleine schaal aan begonnen. Nu de vluchtelingen terugkeren, ook op uitgebrande boerderijen in een gebied dat hun toekomt, is het gevaar voor ongelukken groot.

Weliswaar hebben de partijen kaarten uitgewisseld waarop mijnenvelden staan aangegeven, maar omdat de fronten herhaaldelijk wisselden, ontbreken nog veel aanwijzingen voor de mijnen. Nederlandse adviseurs bij het mijnenruimen vrezen dat veel mijnen niet meer zijn te achterhalen. Jarenlang zal er nog gezocht moeten worden met veel militairen, en geruimd, zo nemen zij aan.

Genisten hebben in het hotel de elektriciteit doorgetrokken en een waterzuiveringsinstallatie aangebracht, in grote canvas bakken. “Het lijken wel kreeftenvijvers, maar je kunt geen risico nemen”, zegt korporaal Rijcken uit Arnhem. “Hygiëne is heel belangrijk. Je zit zo aan gekke ziektes van ratten en muizen. We worden steeds gewaarschuwd.”

Elders in het kamp wordt er nog wat geklaagd dat alles in het hotel plotseling functioneert nu de minister op bezoek is. Kapitein Paape van het onderhoudspeloton vindt dat hij te lang op reserveonderdelen uit Nederland moet wachten. “Onder de omstandigheden waaronder wij hier werken heb je veel meer reserveonderdelen nodig. Er gaat veel kapot.” Ook vraagt Paape zich af waarom er op het gebied van vitale spullen geen betere samenwerking is tussen de verschillende krijgsmachtonderdelen. “Interoperabiliteit, daar moeten we het van hebben voor dit soort operaties, mijnheer de minister. Maar we zullen toch ons mannetje staan.”

Voorhoeve zegt het probleem te kennen. Daar is aandacht voor in Den Haag, aldus de keurig gekapte bezoeker. Generaal Coopmans, commandant van de tweeduizend militairen in Bosnië, verwacht “dat dadelijk uit de juiste containers nog voldoende onderdelen komen”. “We hebben nog niet alle kisten kunnen leegmaken.”

Op de terugweg over een wankel sneeuwpad door de bergen wordt gestopt vlak voor de stad Travnik. Minister Voorhoeve neemt plaats bovenop een tank, zodat hij de inslagen kan zien bij een schietoefening in een bergkom. Uit het 25-millimeter kanon van de YPR-pantservoertuigen komen om de paar salvo's lichtkogels, die tegen autowrakken stuiteren en van baan veranderen.

“Het is daarom dat we hier niet met het Leopard-Tweekanon kunnen oefenen”, zegt de commandant. “Als een granaat uit de loop van deze tank ricocheert, dan kun je nog op grote hoogte een burgervliegtuig raken. Dat is bij deze missie niet verstandig.”

    • Willebrord Nieuwenhuis