In Liefde Bloeyende

KLINKDICHT

Wie wandelt gintsch in stijf en haveloos gewaad

Met een verwilderd, strak en opgetoogen wezen?

Hij meet zijn' treden af; in 't mijmerend gelaat

Is een verstrooijing, die elk zigtbaar is, te leezen.

Hij slaat, al stappende, met hand en hoofd de maat;

Treed mom'plend agter uit, als of hem iets doet vreezen;

Hij bijt zijn' nagels, schud zijne ooren, peinst en staat

Met een beweegloos Oog, dat Luchtwaarts schijnt gereezen.

Daar stapt hij weder voort. - Maar hou! Zie toe! - een paal;

Hij loopt 'er tegen - paf. - ô arme harssenschaal!

Hoe nu! Hij ligt den hoed en vraagt beleeft verschooning!

't Is wis een zot, ontsnapt uit een' beslooten woning

Of een wanhoopig mensch, die wat hij doet niet weet.

Neen, geen van beiden is 't: - 't is een verrukt Poëet.

H. Riemsnijder (1744-1825)

Dichters belachelijk maken, het is dankbaar werk. Zeg iets spottends over een dichter en de gulle lach van het publiek is al binnen vóór je bent uitgesproken. Er heerst een stille verstandhouding tussen de gewone man enerzijds en de mens in het algemeen anderzijds over het feit dat dichters van lotje getikt zijn en niet serieus genomen moeten worden. Dat dichters grappige wezens zijn. Wandelaars in de wolken. Professors in de weetnietkunde. Uitvinders van het eikehouten buskruit.

Ook ik vind dichters vaak behoorlijk kierewiet en ik steek er in kleine kring graag de draak mee. In het openbaar gedraag ik me een beetje tactischer, al was het alleen maar om de vijand - de cultuurbarbaar en de aangeklede aap - niet in de kaart te spelen. Waarom dan dit klinkdicht van Hendrik Riemsnijder hier aan de vergetelheid ontrukt, een sonnet waarin openlijk en in extenso een dichter wordt bespot? Ach, er zijn verzachtende omstandigheden.

Het is meer het stereotiepe beeld van de verstrooide professor, een beeld uit de kinderwereld dat hier wordt geschetst. Slordig in de kleren, in zichzelf pratend, hemels kijkend - zo ziet een kind de kunstenaar. Als een kruising tussen de uitvinder Willie Wortel en de schilder Terpentijn.

Met een beweegloos Oog, dat

Luchtwaarts schijnt gereezen - het is een kostelijk beeld voor het oogwit dat ontstaat wanneer een dergelijk artiest naar inspiratie zoekt. En dat zo'n vaag type vervolgens met een knal tegen een paal oploopt, waarna hij de hoed afneemt om de paal vergiffenis te vragen, het ligt in een stripverhaal voor kinderen voor de hand.

Dat is meteen de tweede verzachtende omstandigheid: dat het hier duidelijk om een verrukt poëet gaat. Om een dichterlijke dichter dus. Niet de dichtkunst wordt hier in de maling genomen, maar de poëtische zucht, de wolkerigheid.

De belangrijkste verzachtende omstandigheid is wel dat de bespotting van de dichter gebeurt door middel van een gedicht. De caricaturist is zelf dichter. Geen genie, deze Hendrik Riemsnijder, maar toch de maker van tenminste één verdienstelijk sonnet. Kom daar bij de aangeklede apen eens om.

Het volk maakt dichters niet belachelijk vanuit een kinderlijke optiek, het bespot ze omdat het zichzelf juist volwassen acht. Het ziet de kunstenaar als een stuntelende, meelijwekkende kleuter.

Het volk roept ook niet de assistentie van een gedicht in om een dichter te bespotten. Het staat er vierentwintig uur per dag voor klaar. Zonder hulpmiddelen, onder alle omstandigheden.

Bovenal spot het volk niet uitsluitend met de bevlogen dichters, het spot met alle dichters.

In het gedicht Vogelvrij heeft de dichteres Ida Gerhardt het over 'kinderen van een prachtig ras' die haar in een ver dorp uitscholden, achtervolgden en met aarde bekogelden. Terwijl zij op de grond zit en de kluiten van haar jas slaat bedenkt zij:

Kinderen zijn oprecht en wreed:

zij zagen mij de dichter aan

en deden frank, wat meer discreet

de wereld dagelijks heeft gedaan. Ook hier het onderscheid tussen kinderen en 'de wereld'. Ook hier de nadruk op de echte dichter. Ook hier het oordeel dat de wereld geen dag in het jaar en geen moment van de dag ophoudt met het belachelijk maken van de enigen die niet vulgair, stompzinnig en kortzichtig zijn, en die heten nu eenmaal dichters. Of ze dichten of niet.

    • Gerrit Komrij