Hoort Design in het Museum?; De persoonlijke van een stofzuiger

'Design en Identiteit' is de titel van de tentoonstelling waarmee Kopenhagen feestelijk inluidt dat het dit jaar Culturele Hoofdstad van Europa is. 700 voorwerpen vormen een aangename visuele prikkeling - maar het zijn 'machines die niet werken'.

Design and Identity. Aspects of European Design. Louisiana Museum of Modern Art, Humlebaek, Denemarken. Tot 28 april. Dag 10-17u. Woe 10-22u.

Het museum is met de trein te bereiken vanaf het centraal station te Kopenhagen (richting Helsingor). Aan het loket is een retour Humlebaek te koop inclusief een toegangsbewijs voor het museum. De reis duurt drie kwartier.

Tussen de luchthaven van Kopenhagen en het centraal station gaat vier keer per uur een SAS-bus. De rit duurt 20 minuten.

Design is de naam van de doos. In negen van de tien gevallen is vormgeving een kwestie van verpakking. Er is een vinding, het heeft een functie en het zit in een vorm, een doos, zoals een slak in zijn huisje. Die doos kan kubusvormig zijn of gewelfd, puntvormig of hol, afhankelijk van wat erin zit en waar (en hoe) hij moet staan, maar het is en blijft onmiskenbaar een doos. De buitenkant der dingen: vlees, geen bloed; lichaam, geen ziel.

Gegeven deze waarneming is het wonderlijk dat steeds vaker tentoonstellingen van design worden georganiseerd. Het is alsof een museum de kisten en het plastic exposeert waarin schilderijen worden vervoerd en de kunstwerken zelve (de 'inhoud') in depot laat staan.

Kunstwerken zijn wezen en hun redding ligt in het weeshuis (het museum) waar ze gekoesterd worden en beschermd tegen de boze buitenwereld. Ze hebben geen nut, kennen geen praktisch gebruik en zijn zo aangewezen op liefdadigheid; stakkers, niet in staat hun eigen brood te verdienen. De criticus Harold Rosenberg heeft kunstwerken eens gedefinieerd als 'machines die niet werken' en zo is het maar net. In het museum is het verschil tussen de stofzuiger van de schoonmaker en die van Jeff Koons dat de eerste functioneert en de tweede niet (althans niet in zijn opstelling).

Waarom dan stofzuigers geëxposeerd? Of televisies? Koffiemachines of serviezen? Die vraag moet ook in de hoofden der conservators hebben rondgespookt en de gevonden oplossing is even eenvoudig als bizar. Bij elk getoond voorwerp wordt een bordje geplaatst met de tekst 'niet aanraken'. Met deze ingreep wordt elke machine, ooit ontworpen voor een specifieke functie, op slag 'een machine die niet werkt', rijp voor het museum. De paradox is hier dat een voorwerp alleen geëxposeerd kan worden als het niet mag doen waarvoor het is gemaakt, zodat alle aandacht uit kan gaan naar het meest triviale aspect: het visuele karakter. Alleen in musea worden gebruiksvoorwerpen gereduceerd tot iets waarvoor ze niet (althans niet in eerste instantie) ontworpen zijn: esthetische objecten.

Dit alles is weer hoogst actueel. Kopenhagen is dit jaar 'Culturele hoofdstad van Europa' en als feestelijke opening daarvan bedacht men een thema waarin de begrippen 'cultuur' en 'Europa' verweven zijn. Het resultaat is nu te zien in Humlebaek, nabij Kopenhagen, waar het Louisiana museum voor moderne kunst alle zalen wijdt aan de tentoonstelling Design en identiteit. De vraag is: heeft het Deense, Italiaanse of Nederlandse ontwerp een eigen idioom of spreekt het eigentijdse ontwerp in esperanto? Zevenhonderd opgestelde voorwerpen moeten het antwoord geven.

De expositie is opgedeeld in secties die per keer een ander aspect van de vraagstelling belichten. Het eerste deel betreft de vraag naar de identiteit en is opgedeeld in drieën: Persoonlijke identiteit, Produkt identiteit en Bedrijfs identiteit. Het tweede deel moet min of meer het antwoord vormen; in acht opstellingen mogen de deelnemende landen een poging doen hun nationale identiteit te definiëren.

Op papier is dat duidelijker dan in de praktijk. Wat met die driedeling bedoeld wordt, is, blijkens de toelichting, het volgende: 1 hoe gebruikt het individu (de vormgeving van) een produkt om zijn eigen identiteit mee te onderstrepen?; 2 hoe kan het ontwerp identiteit uitdrukken?; 3 hoe geven ontwerpers het produkt een identiteit waarin de verschillen worden benadrukt?

Wie zijn ogen van het papier opslaat naar de tentoonstelling wordt geconfronteerd met zevenhonderd leerlingen van de grote mimespeler Marcel Marceau. Zelden was zwijgen oorverdovender.

Hieruit blijkt weer eens het probleem van design-tentoonstellingen: de vraagstelling wordt zelden beantwoord door de esthetische presentatie. Een parade van voorwerpen is een meer of minder aangename visuele prikkeling; ze is geen intellectuele exercitie. Niet het oog kan die vraag beantwoorden, alleen het brein. Het antwoord schuilt eerder in de catalogus dan in de expositie.

Identiteit is een even modieus als misbruikt begrip. Iedereen begeert tegenwoordig een 'eigen identiteit' en als men haar niet heeft dan koopt men haar wel. Identiteit is heilig en om dat te onderstrepen slaat men met genoegen de ander de hersens in. Dat is een les die niet vergeten wordt.

Maar wat is identiteit?

Op het eenvoudigste niveau is dat het visuele verschil tussen A en B. Saul Steinberg tekende in The Passport de cartoon van identiteit: een man met een vingerafdruk als gezicht. Het is onvervreembaar eigen, maar het is niet opmerkelijk; iedereen heeft een unieke vingerafdruk. En als iedereen uniek is, dan is het unieke niet bijzonder.

Naast de persoonlijke identiteit is er de identiteit van de groep. Dat kan een eenvoudig uiterlijk kenmerk zijn (geslacht of rood haar; blindheid of doofheid; dikte of lengte) of een ingewikkelde, onzichtbare code (wachtwoord; taal; religie; volkslied of koningshuis). In het eerste geval is die groepsidentiteit bepaald (men is iets in andermans ogen), in het tweede geval is die gekozen (een status).

Toegepast op de vraagstelling van Design en Identiteit komt dat hierop neer: voor het certificaat van de Persoonlijke Identiteit verlangt men een stempel (zie wederom Steinbergs The Passport). Wie kiest voor de shawl van Ajax bekent zich tot 'voetbalfan'; wie kiest voor de Palestijnse shawl bekent zich tot 'revolutionair'. Wat hier 'persoonlijke identiteit' heet, heeft met persoonlijkheid niets van doen; het is groepsidentiteit: de unieke vingerafdruk gaat schuil achter het collectieve stempel.

Hoe kan design identiteit uitdrukken? Eenvoudig, door in te spelen op status en sentiment. Het stempel kan de vorm van een kroontje hebben of de kleuren vertonen van de nationale vlag; het is een embleem, een tint of een prijskaartje.

Hoe kunnen ontwerpers hun produkten van een identiteit voorzien om ze van elkaar te doen onderscheiden? Door een unieke vingerafdruk, genaamd 'huisstijl', te ontwerpen. Een gestempelde vingerafdruk. Op de tentoonstelling wordt deze corporate identity geïllustreerd door een opstelling van twee vliegtuigstoelen met toebehoren (logo's, bekleding, servies, bestek en maaltijd-trolley): British Airways versus Swissair. De ironie is hier dat beide maatschappijen, zo bont bestempeld met 'identiteit', niet alleen hun vliegtuigen, maar ook hun stoelen, hun trolleys, en mogelijk ook hun serviezen en bestekken van buitenlandse fabrikanten betrekken, veelal ook nog van een en dezelfde. Identiteit wordt hier (geheel onbedoeld) ontmaskerd als bedrog, een kwestie van plakplaatjes.

Voor het formuleren van de nationale identiteit werden ontwerpers en conservators uit de deelnemende landen gevraagd zes voorwerpen te selecteren in de volgende categorieën: anoniem ontwerp, banaal ontwerp, ontwerpicoon van de twintigste eeuw, naast drie nieuwe ontwerpen. Marjan Unger, kunsthistorica en journalist, koos voor Nederland chocoladeletters als voorbeeld van anoniem ontwerp, tulpenbollen in verpakking als banaal ontwerp en Leerdamglas als icoon. Fredrike Huygen, conservator vormgeving van museum Boymans-Van Beuningen, koos klompen als anoniem ontwerp, een Delftsblauw klompje als banaal ontwerp en klompen met gaten, klompschoenen en met Delftsblauw bestempeld ondergoed als voorbeelden van nieuwe ontwerpen.

Het probleem in een notedop.

Nationale identiteit wordt gedefinieerd als het cliché dat daarvan in omloop is. Holland = klompen, tulpen en Delftsblauw. Behalve geestloos is het ook dom. Ooit, in een mythisch verleden, waren dit inderdaad gebruiksvoorwerpen, nu zijn het nog slechts exportartikelen, even 'Hollands' als Hans Brinkers' vinger-in-de-dijk (copyright Canada). Als dit iets kenbaar maakt, is het wel dat de notie van nationale identiteit passé is, een groot dood dier dat niet meer thuishoort in deze tijd.

Bij de andere landen is het van hetzelfde laken een pak. Elk land (of streek, vaak is de identiteit niet nationaal, maar lokaal) wordt beschreven in de clichés van de buitenstaander, zoals al blijkt uit de titels: Between Rationality and Romanticism (Duitsland), Warm and Cool (Catalonië), Elective Affinities (Tirol), The Persistence of the Prosaic (Nederland), Italy: The Art Factory (Italië), The Celebration of Modernity (Frankrijk), The Reinvention of Tradition (Groot-Brittannië), en Workspirit - Vitra (Duitsland/ Zwitserland). Zorgvuldige lezing maakt al duidelijk hoezeer er gegoocheld is met het begrip 'nationale identiteit' om de bekende eilandjes van ontwerp-activiteit onder te brengen. Spanje verschrompelt tot Catalonië, Oostenrijk tot Tirol, Zwitserland tot Vitra.

De catalogus, de plaats waar het debat werkelijk plaats zou moeten vinden, maakt de bezoeker niet veel wijzer. Het kompas kent maar vier stijlrichtingen: rationeel en romantisch, warm en koud. Het noorden is, zoals men weet, koud en rationeel (protestants); het zuiden warm en romantisch (katholiek). Aan dooddoeners geen gebrek. Bij wijze van nuancering verklaart de een na de ander dat ze bij voorkeur van beide walletjes profiteren. Frankrijk is noordelijker dan de latijnse landen, maar zuiderlijker dan de noordelijke landen. Catalonië kent de warmte van Spanje, maar ook de koelte van de Pyreneeën. Tirol is zowel noordelijk (Oostenrijk) als zuidelijk (Italië). Duitsland is zowel rationeel als romantisch; in Holland volhardt de traditie van het gewone; en in Groot-Brittannië vernieuwt men de traditie. Het zijn, kortom, de sprookjes van Moeder de Gans.

Zelfs oppervlakkige beschouwing leert al dat de tentoonstelling haar eigen concept ondergraaft. Steeds vaker werken ontwerpers voor internationale bedrijven en steeds vaker wordt talent in eigen land niet erkend. De Oostenrijkse groep Porsche Design produceert in de Verenigde Staten, de Fransman Philippe Starck werkt in Japan, de Oostenrijker Matteo Thurn is het boegbeeld van Italiaans design en welke identiteit hebben de pastelkleurige kinderen van Philips en Alessi: Nederlands? Italiaans?

Is 'identiteit' al een dubieus begrip waar het mensen betreft, bij voorwerpen is het zeker zinloos. Smaakt water beter uit een Hollands glas en wijn beter uit een Frans? Klinkt een opera muzikaler uit een Italiaanse stereotoren en marsmuziek dreigender uit een Duitse installatie? Zit een Catalaanse stoel warmer dan een Engelse? De hele probleemstelling is gezocht, een alibi om design van een heuse museum-status te voorzien. Maar al die vragen en al die (halve) antwoorden kunnen niet verhullen dat eigentijds design niet thuishoort in het museum. Hoeveel voorwerpen ook in die heilige zalen worden geëxposeerd, het betere warenhuis heeft er altijd meer. Het is geen kunst, het is handel, zoals de middenstand maar al te goed beseft. De firma Rosenthal heeft haar etalage in de winkelstraat van Kopenhagen toepasselijk gevuld met design-klassiekers, elk keurig voorzien van een bordje met de titel, de naam van de ontwerper en de naam van de fabrikant. Net een museum.