Het Mendel-syndroom

'Dacht je nou werkelijk, kèrel, dat mijn collega [volgt naam van vermaard Leids contemporain geleerde] zit te wachten tot hij door een of ander ventje genoemd wordt in zo'n frutsartikeltje? Kom nou toch m'n beste!'

'U bent het die George Orwell's Nineteen Eighty-Four (de alles controlerende totalitaire staat) aan het realiseren is. Waar vroeger gevangenissen gebruikt werden, gebruikt u nu geautomatiseerde prestatiemetingen. Uw werk doet mij huiveren!'

Het evalueren van wetenschappelijk werk met 'meetbare' elementen veroorzaakt hevige commoties. Het tellen van publikaties is al jarenlang een bron van academische onrust. De mate waarin naar die publikaties verwezen wordt - 'citaties' door andere onderzoekers - levert nog grotere 'acceptatieproblemen'. Degenen die, zoals wij, deze meterij als métier bedrijven, krijgen vaak de wind van voren.

Bovenstaande reacties zijn een greep uit de praktijk. Soms gaat het verder dan Orwell en wordt over schedelmeten gefluisterd. Het is allemaal lang niet zo erg als wat collega Buikhuisen zo'n twintig jaar geleden overkwam. Die werd door de linksistische razernijen van lieden als Cherry Duyns, Hugo Brandt Corstius, Ria Beckers en andere wereldverbeteraars uitgemaakt voor een maatschappelijke bedreiging, en nog erger. Men informeerde of hij een fascist was. Het is ons bespaard gebleven, omdat we onderzoek naar de relatie tussen schedelomvang en aantal citaties maar hebben laten vallen.

Waarom nog steeds die broeiende onrust als het gaat om het vaststellen van kwaliteit in de wetenschapsbeoefening? Een kardinale zaak is de waarde die toegekend wordt aan publiceren. En met name het publiceren in internationale wetenschappelijke tijdschriften. Niemand zet deze waarde op nul, maar men wenst de meest uiteenlopende normen te hanteren. Dat geeft problemen, en wie nauwelijks of nooit iets internationaal gepubliceerd heeft, zit ook niet te wachten op het tellen van de wereldwijde verwijzingen. Hier en daar zijn de discussies postmodern ontaard, en wordt het publiceren zo ongeveer in diskrediet gebracht. Het heet dan: wetenschapsbeoefening bestaat toch niet alleen maar uit 'artikeltjes schrijven'?

Natuurlijk is wetenschapsbeoefening meer dan publiceren. Maar - het moet er altijd van komen. Geen kunstenaar zonder dat een kunstwerk geleverd wordt. De functie van een publikatie is buitengewoon cruciaal: goed gedocumeenteerde verspreiding van behaalde onderzoeksresultaten en de daarmee verworven kennis, alsmede het bewust uitlokken van kritiek. Zij die niet publiceren, onttrekken zich aan dit meest essentiële onderdeel van wetenschappelijke vooruitgang.

Omdat 98 procent van de wetenschapsbeoefening buiten Nederland plaats vindt, is internationaal publiceren een conditio sine qua non. Voor ieder vakgebied. Wel nuance-verschillen, maar geen uitzonderingen. Althans niet aan een universiteit.

Pas door het schrijven van een publikatie wordt het werk afgerond, althans voorlopig. Vrijwel altijd geeft het schrijven aanleiding tot heroverweging, nieuw inzicht, en vooral beter overzicht van de plaats van het geleverde werk in het eigen vakgebied. Publikatie in een internationaal tijdschrift betekent dat je voor een zo groot mogelijk publiek, wereldwijd, met de billen bloot moet. Laat zien, wat je te vertellen hebt. Publiceren in de best mogelijke tijdschriften, daar ga je voor. Het tijdschrift is voor de wetenschapsbeoefenaar wat de galerie is voor de kunstenaar. Geciteerd worden is te vergelijken met uitnodigingen om het werk in verdere galeries te tonen. Liefst in de betere. Kwaliteit is: er wordt door anderen over je werk gesproken.

Is alle kritiek op het gebruik van publikatie- en citatieaantallen dan onterecht? Beslist niet. Ook al deugt een instrument, het kan verkeerd gebruikt of zelfs misbruikt worden. Daar zit, terecht, een flink deel van de commotie. Maar bij zorgvuldige toepassing mag men blij zijn met de mogelijkheden van publikatie- en citatieanalyse. Het is een zegen voor al degenen die een redelijk objectief element willen toevoegen naast beoordelingen door commissies van vakdeskundigen. Dit zogeheten peer-review is,hoe belangrijk ook, rijkelijk behept met subjectieve impressies. En dat leidt de ene keer tot slapheid en bij een volgende gelegenheid tot onredelijk harde uitspraken. Geheel afhankelijk van de samenstelling, en daarmee de belangen van de commissieleden.

Ik loop de in het begin van dit stuk geparafraseerde (maar waar gebeurde) uitspraken nog eens met U langs. De eerste, U voelt het al aan, speelt te Leiden. In dit Praesidium Libertatis kan alles. Het is dan ook niet vreemd dat daar het vermaledijde citatie-onderzoek plaats vindt. Voor elke gek is er aan het Rapenburg ruimte, mits hij of zij hart voor de wetenschap heeft, de wet niet overtreedt, zich redelijk kleedt voor academische plechtigheden en dat zeldzame gevoel heeft voor een combinatie van grootse daden en soberheid.

In Leiden wordt de wetenschapsbeoefening alleen verstoord door grof geweld. Cleveringa werd uit zijn werkzaamheden gehaald door fascisten, en Buikhuisen een generatie later door zich antifascistisch noemende lieden. Ik verheug me al op hersenonderzoek - eens zal het gebeuren - waarbij aangetoond wordt dat beide groepen lieden nog eens niet zo verschillende kronkels in hun bovenkamer-hardware vertonen. De kronkels van het fanatisme.

Die Leidse discussie ging over het toepassen van citatie-analyse in de geesteswetenschappen. Veel drukte hoeven we daar niet over te maken. Publiceer- en verwijzingsgewoonten in de geesteswetenschappen zijn van dien aard dat bij de verspreiding van wetenschappelijke kennis het tijdschrift veelal niet het belangrijkste medium is. Citatie-analyse is dan niet of nauwelijks toepasbaar. Toch kan men internationaal zeer actief en vermaard zijn. Via boeken, voordrachten, gastcolleges. Andere methoden om kwaliteit, of beter gezegd invloed van wetenschappelijk werk, vast te stellen, zijn nodig. Dezelfde redenering geldt ook voor delen van de sociale wetenschappen, van de biologie en de wiskunde, en ook voor direct op klinische toepassing gericht geneeskundig onderzoek. Meetwerk vereist een eerste verkenning van wat er nu eigenlijk meetbaar is.

Toch zal niemand, ook niet in de geesteswetenschappen, ontkennen dat het belangrijk is te weten of een boek waar jaren aan gewerkt is, een grote - en hopelijk meetbare - invloed op de 'doelgroep' heeft. Verkoopcijfers en aanwezigheid in belangrijke bibliotheken zijn al zo iets. Het verschil met geregistreerde verwijzingen is dan eigenlijk niet zo groot meer. En komen binnenkort de mooie resultaten op Internet, dan zul je zien dat zelfs de meest erudiete alfa's en gamma's hun nieuwsgierigheid naar het aantal log-ins - het elektronische, maar enigszins hyperventilerende broertje van het aantal 'gewone' citaties - niet kunnen bedwingen.

Dan George Orwell. De tweede parafrase. Plaats van handeling is Erlangen. Een hoogleraar chemische technologie raakt geheel buiten zinnen bij het horen van 'pogingen tot meting van wetenschappelijk prestaties'. Vlugzout en beademingsapparatuur worden aangerukt. Niet leuk hoor, om dat mee te maken. Wordt even voor het houden van een voordracht uitgenodigd! Hij is zo kwaad, dat-ie de Nineteen-Eighty Four brief stuurt aan zijn Nederlandse collega's.

Een ervan, in Eindhoven, doet er nog een schepje bovenop. Weten die dekselse citatie-kwajongens niet dat wetenschappelijke kwaliteit omgekeerd evenredig is aan het aantal wetenschappelijke publikaties dat een onderzoeker levert? Dus hoe minder je publiceert, hoe hoger je kwaliteit.

Raar hoor. Een Umwertung aller Werte. In plaats van de wereld van Orwell dan maar die van Nietzsche? Het is nog steeds niet helemaal goedgekomen tussen de technische wetenschappen en de wereld van publikaties en citaties. Het wantrouwen is erger dan bij de geesteswetenschapper, die tenslotte permanent verliefd is op het geschrevene. Waar de alfa-geleerde tenminste nog heimelijk (ja ook in Leiden!) gelukkig is met een citaat naar zijn of haar werk, maar dit hoogstens tussen de lakens aan de geliefde zal bekennen, daar verheugt menig technicus-geleerde zich liever over 'een ding dat werkt', een nieuw apparaat of verbeterd proces.

De emoties van de Erlangense professor zaten echter dieper dan de directe toepasbaarheid van publikatie- en citatie-analyse in de technische wetenschappen. Zij betreffen een der algemeenste bezwaren: wat heeft het voor zin om kwaliteit te bepalen aan de hand van hoe vaak er nu naar werk verwezen wordt, als pas veel later duidelijk wordt wat de waarde van het werk is? Het lot van de kunstenaar wiens werk nu niet op de galeries prijkt, maar pas later, ver na zijn dood.

In de wetenschap noemen we dat het Mendel-syndroom. Publikaties, citaties, allemaal niks, men begrijpt de waarde van mijn werk toch niet. Het duurt nog heel lang voor men er achter zal komen hoe goed ik was. We schatten het aantal lijders aan dit Mendel-syndroom - in meer of minder ernstige vorm - op circa 20 procent van alle universitaire geleerden. Je kunt er - zo weten wij intussen - absoluut niet voor behandeld worden. Schedelvorm en -afmeting correleren niet met de aanwezigheid van het syndroom. Je ziet het dus niet aan de buitenkant. Maar ach, met de resterende 80 procent kunnen we wel verder.