GIED JASPARS 1939-1995; Dwingende eenling

Gied Jaspars, die gisteren op 56-jarige leeftijd is overleden, was een rasverteller - al ver voordat hij daar zijn (laatste) beroep van maakte. De overtuigingskracht van zijn woorden en de oeverloosheid van zijn ideeën maakte hem tot de inspirerende en - achteraf bezien - onmisbare motor achter een reeks initiatieven die een blijvende invloed hebben achtergelaten: eerst in de filmwereld, waar hij mede-oprichter was van het baanbrekende filmliefhebbersblad Skoop, en daarna op de televisie. Zijn enthousiasme was aanstekelijk en dwingend; als Gied Jaspars zei dat er iets ging gebeuren, gebeurde dat ook.

Hij was een eenling uit Limburg, zoals we inmiddels ook weten uit de prachtige tv-serie die zijn generatiegenoot Frans Bromet vorig jaar over hem maakte, en hij kwam naar Amsterdam om de wereld te ontdekken. Zijn bewonderenswaardige vermogen tot het bewonderen van mensen met artistiek talent kwam in de jaren zestig al op de Filmacademie tot uiting, toen hij bergen trachtte te verzetten om jongeren als Paul Verhoeven en Ruud van Hemert hun eerste filmkans te geven. Bij de VPRO kreeg hij de ruimte, achtereenvolgens als gangmaker van het brutale programma Hoepla (1967) en vanaf 1971 met de alles ontregelende shows rond zotte types als Fred Haché, Barend Servet en Sjef van Oekel.

Wim T. Schippers was voor Gied Jaspars een idool, en hij stelde alles in het werk om de Nederlandse samenleving te doordringen van diens genie. Hij kon stralen van kwajongenspret als hij er weer eens in was geslaagd een groot bedrijf te interesseren in een Schippers-project - via Van Oekel-teksten op bierviltjes bijvoorbeeld - of eindelijk had georganiseerd dat Schippers' hondentoneelstuk Going to the dogs kon worden opgevoerd. Ook bedacht hij een programma waarin Paul Haenen debuteerde als tv-interviewer, en was hij de ideoloog van programma's met Berend Boudewijn (De BB-kwis) en Sonja Barend (Sonja's Goed Nieuws Show).

Eind jaren zeventig besloot Jaspars, gezien de veranderende tijdgeest, in zaken te gaan. Hij verdiende geld met de Rolykit-uitvinding van zijn vriend Samuel Meijering en verloor geld met andere ideeën.

Een hologrammengalerie verschafte hem enkele jaren een geregelder inkomen. Maar intussen ontdekte hij ook weer een nieuw talent voor wie alles opzij moest: de filmer Theo van Gogh, wiens Een dagje naar het strand (1984) door Jaspars werd geproduceerd.

Al een jaar of tien geleden zei hij tegen vrienden en bekenden dat hij nu verteller ging worden. Maar zijn lievelingswens ging, bij de VARA-tv en de VPRO-radio, in vervulling. Zijn onderwerp werd de kleine natuur. Soms gebruikte hij grote woorden voor de geur van gemaaid gras, het geheimzinnige bospaadje, de bedwelming van de rhododendrons en de geboorte van een kuiken (“een zeldzaam moment van intens geluk”).

Hij woonde de laatste jaren in de molen aan het Gein, waarover hij als 22-jarige jongen al had gelezen bij Nescio. “Hier zal ik sterven,” zei hij aan het slot van zijn laatste VPRO-mijmering, toen hij al ongeneeslijk ziek was. Hij maakte een serene indruk; alles was gegaan zoals hij dat wilde. Maar een plannenmaker zoals Gied Jaspars was, daarvan bestaat geen tweede.