'Gemeenschappelijke munt leidt tot verdeeldheid in Europa'

De invoering van een gemeenschappelijke munt in het kader van de Economische en Monetaire Unie zal tot verdeeldheid in de Europese Unie leiden. Dat stelt de Brit Bernard Connolly in zijn boek 'The rotten heart of Europe' dat hem zijn baan als ambtenaar bij de Europese Commissie kostte. Anders dan de Londense Times beweerde, verwacht Connolly niet dat de EMU tot een nieuwe Europese oorlog zal leiden. “Ik wilde geen 'anti-Commissie-boek' schrijven, ik wilde alleen het verhaal vertellen dat aan het publiek onthouden wordt.” In het drama van de EMU is Nederland overigens een 'saai geval'. “De koppeling van de gulden aan de D-mark heeft Nederland goede diensten bewezen.”

Het is als met liefde. Wie verliefd is, verkeert in een verhoogde staat van intensiteit om signalen op te vangen. “Ik was verliefd op de analyse van het Europese monetaire stelsel. Als wisselkoersmechanisme deugde het niet, maar het fascineerde me als onderwerp”, zegt Bernard Connolly.

Die liefde heeft hem zijn baan gekost. Op 31 januari werd Connolly ontslagen als ambtenaar bij het directoraat-generaal monetaire zaken van de Europese Commissie in Brussel. De reden voor het ontslag, dat de Brit nog aanvecht bij de rechter, is dat hij “persoonlijke standpunten heeft uitgedragen die niet in overeenstemming zijn met het beleid van de Commissie”. Connolly heeft de Brusselse consensus over de zegeningen van het Europese Monetaire Stelsel en van de Economische en Monetaire Unie in twijfel getrokken. Zijn boek, The rotten heart of Europe*, dat vorig jaar herfst is uitgekomen en inmiddels de vierde druk beleeft, is een even scherpzinnige als vileine ontleding van de karakters, motieven en mechanismen die werkzaam zijn in de monetaire samenwerking van Europa.

“Achteraf gezien was het beter geweest om het boek The breaking heart of Europe te noemen”, zegt Connolly. Invoering van een gemeenschappelijke munt door een kerngroep van landen zal leiden tot wrok en jaloezie bij de uitgesloten landen. Bovendien deugen de economische uitgangspunten van de monetaire unie niet, meent hij. Landen zijn voor hun welvaart beter af als ze de vrijheid behouden om een eigen, binnenlands monetair beleid te voeren. De EMU werkt tegen het nationale belang van landen en het zal Europa in tweeën breken.

Vanwege zijn ontluisterende analyse van de economische tekortkomingen van het EMS, mede gebaseerd op observaties van binnenuit als Commissie-ambtenaar, is Connally in korte tijd een geduchte tegenstander van de monetaire mandarijnen in Europa geworden. Door tegenstanders van de monetaire unie wordt hij beschouwd als een held die heeft aangetoond dat de EMU-keizer geen kleren aan heeft, door voorstanders van een gemeenschappelijk munt wordt hij afgeschilderd als een dwaas die er niets van begrepen heeft. Dat laatste is ten onrechte. Men kan het oneens zijn met zijn Thatcheriaanse euroscepsis, hij is een kundig econoom.

Oktober vorig jaar zette The Times boven een voorpublicatie uit Connolly's boek de sensationele kop dat de monetaire unie tot een Europese oorlog zal leiden. Het haalde de wereldpers ('Europese ambtenaar voorspelt dat EMU tot oorlog leidt') en sindsdien wordt Connolly met deze bewering achtervolgd. Maar het staat niet in zijn boek - en hij gelooft het ook niet: “Er is geen sprake van dat de monetaire conflicten zullen uitlopen op een oorlog in Europa. Europa bestaat uit volwassen democratieën en oorlog is uitgesloten”, zei Connolly onlangs op een congres van de internationale vereniging van economiestudenten, AIESEC, georganiseerd door studenten van de Vrije Universiteit en de Universiteit van Amsterdam. Hij hecht er aan om deze misvatting recht te zetten.

Bernard Connolly (46), een econoom uit de liberale Manchester-school, is eerder een scherpzinnig analyticus dan een politieke scherpslijper. Hoewel de venijnigheid van zijn boek anders doet vermoeden, maakt hij een verlegen indruk en hij lijkt oprecht geschrokken te zijn van de negatieve reacties die The rotten heart heeft opgeroepen. Herhaaldelijk verontschuldigt hij zich voor misverstanden. Deels heeft hij die reacties zelf uitgelokt, bijvoorbeeld door zijn onzinnige verwijzingen naar het Duitse monetaire beleid in de nazi-tijd en de Franse collaboratie van de regering-Vichy, of door de manier waarop hij de byzantijnse Brusselse technocratie beschrijft waarvan hij zelf deel uitmaakte. Connolly denkt in termen van machtsstrategieën en niet van idealen.

Toch heeft Connolly niets van de arrogante, anti-Europese Britse conservatief en veel meer van een anonieme, gefrustreerde ambtenaar. “Connolly zat bij de vergaderingen van het Monetair Comité altijd ergens achteraan”, zegt de president van de Banque de France, Jean-Claude Trichet desgevraagd met enig dédain. Nee, het boek heeft Trichet niet gelezen. Eén van de hoofdlijnen van Connolly's betoog is de verwerping van Trichets monetaire beleid van de harde franc en 'concurrerende deflatie'. Ook de (oud-)presidenten van de Bundesbank, Schlesinger en Tietmeyer, en de oud-president van de Europese Commissie Delors legt hij op de snijtafel.

“Het gaat me niet om personen maar om hun beleid”, zegt Connolly, “en er is bij mij geen sprake van rancune. Iedereen heeft eervolle motieven. Ik stel mezelf een analytische vraag: wat zijn de inconsistenties in het monetaire beleid en ik onderzoek de belangen van de betrokkenen. Landen handelen niet louter uit nobele 'gemeenschapsbelangen'. Ieder land streeft zijn eigen, nationale belang na. Dat is volstrekt legitiem, maar het wordt nooit zo gebracht. Ik heb ook geen 'anti-Commissie-boek' willen schrijven, ik wilde wèl een verhaal vertellen dat aan het publiek onthouden wordt. Namelijk dat het pad naar monetaire integratie in Europa slechts verdeeldheid zaait.”

Connolly zegt niet van geheime informatie gebruik gemaakt te hebben, maar openbaar beschikbare gegevens te hebben geordend in een nieuw patroon. “Het is een groot voordeel om achteraf te kunnen terugkijken op wat er gebeurd is”, erkent hij.

Nederland wordt in The rotten heart vrijwel niet genoemd. Het grote monetaire gevecht over de Europese munt is in de opvatting van Connolly een kwestie van Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië, met een bijrol voor de zuidelijke landen die hebben afgehaakt. “In het drama van de EMU is Nederland eigenlijk een heel saai geval”, meent Connolly. “Het heeft minder last van de monetaire eenwording dan alle andere landen. Dat komt door de nauwe banden met Duitsland, de vergelijkbare economische cultuur en structuur als Duitsland. De koppeling van de gulden aan de D-mark heeft Nederland goede diensten bewezen.”

Maar ook voor Nederland ziet hij een onoverkomelijk politiek bezwaar in de monetaire unie: “Nederland heeft nog altijd de vrijheid om de koppeling van de gulden aan de D-mark te veranderen. Het is een kwestie van soevereiniteit, Nederland kan zijn eigen afweging maken. Het probleem van de EMU is dat landen deze vrijheid verliezen. Dit besluit wordt aan iedereen opgelegd, zonder dat alle gevolgen daarvan volledig doordacht zijn.”

Aan de hand van de monetaire ontwikkelingen van de afgelopen jaren analyseert Connolly de tekortkomingen van het wisselkoersmechanisme in Europa. Het EMS spatte in 1992-'93 uiteen en hoewel toen door de autoriteiten met grote stelligheid werd beweerd dat het mechanisme niets mankeerde, erkent achteraf iedereen de zwakheden van dat stelsel. Het lokte speculatieve aanvallen uit, het drukte de koersen van zwakke munten (het pond, de lire, de peseta, de escudo) omhoog en het wisselkoersstelsel fungeerde aldus precies tegengesteld aan wat gezien de economische cycli van deze landen vereist was. De gedachte dat koppeling van zwakke munten aan de sterke D-mark in het EMS zou leiden tot stabiliteit, bleek een illusie.

“Landen nemen hun toevlucht tot een wisselkoersanker omdat ze het vertrouwen hebben verloren dat ze zelf hun problemen kunnen oplossen”, meent Connolly. In enkele gevallen - zoals Nederland - werkt dat, maar meestal is het “een garantie voor mislukking”. Hoewel hij erkent dat een onafhankelijk wisselkoersbeleid evenmin een garantie voor succes is, stelt hij vast dat Italië en Groot-Brittannië economisch gezien beter af zijn sinds ze hun munten in 1992 uit het EMS hebben teruggetrokken. Hetzelfde probleem zal zich bij de EMU voordoen, verwacht hij. “De EMU houdt geen rekening met de verschillen in economische structuur en cultuur van landen.”

Connolly maakt een onderscheid tussen de landen van het D-markblok (waaronder Nederland) waarvoor een monetaire unie geen probleem vormt, de perifere landen (inclusief Groot-Brittannië) die door hun afwijkende economische structuur aanpassingen in hun wisselkoers nodig blijven hebben, en een tussengroep van landen waartoe België en Frankrijk behoren. Ook al zal Frankrijk in de richting van Duitsland opschuiven wat economische cultuur betreft en zullen beide landen zich, gegeven de situatie van vrije kapitaalmarkten en economische mondialisering, bewegen in de richting van het 'Angelsaksische model', dan nog bestrijdt Connolly de economische ratio achter een monetaire unie van Frankrijk en Duitsland.

Neem de huidige situatie in Frankrijk. Frankrijk leidt aan morosité, een gevoel van somberheid. Als de Franse autoriteiten de economie in beweging willen krijgen, en dat is gezien de sociale spanningen en werkloosheid dringend nodig, moeten ze het beleid van de franc fort loslaten en de franc devalueren. Die devaluatie zal leiden tot een herstel van vertrouwen en een groeiende binnenlandse vraag. Connolly haast zich om het grote Franse overschot op de betalingsbalans (hetgeen in de klassieke evenwichtstheorie het bewijs is van een ondergewaardeerde munt) te verklaren als symptoom van het gebrek aan binnenlands vertrouwen. Het is ook een uiting van het Franse mercantilisme en daarvoor heeft hij als vrije markt-econoom geen enkele sympathie.

Een devaluatie van de franc dus, als beproefd middel à l'anglaise om de economie aan te zwengelen. Bij een herstel van vertrouwen en groei zal de markt de franc vanzelf in koers omhoog stuwen. En na enige tijd volgt een stabilisatie. Met dit voorbeeld probeert Connolly duidelijk te maken dat vaste wisselkoersen, in het EMS of in de EMU, dit natuurlijke proces van vrije marktkrachten verstoren en de economische dynamiek smoren. Hij doceert: “Je kunt geen aanpassingen in de reële wisselkoersen hebben (de wisselkoersen verminderd met de inflatieverschillen) als de nominale wisselkoersen vastliggen.”

In een recente voorstel van een prominente Duitse bankier om de franc en de D-mark snel aan elkaar te koppelen, ziet Connolly dan ook niets en hij verwacht evenmin dat dit zal gebeuren. “Het is vanuit Frans perspectief heel aantrekkelijk”, zegt hij, “want Frankrijk zou dan krijgen wat het altijd heeft gewild: lagere rente en een greep op het beleid van de Bundesbank.” Het past volgens hem in het oude Franse streven naar een intergouvernementeel Europa: “Het zou een overwinning van het gaullistische denken uit het begin van de jaren zestig zijn”, zegt hij met een verwijzing naar het toenmalige plan-Fouchet (het 'Europa van de staten').

Voor Duitsland zou een bilateraal akkoord over de franc-D-mark, zowel politiek in Bonn als monetair in Frankfurt, moeilijk te verteren zijn. De Bundesbank zou onbeperkt de Franse franc moeten ondersteunen en in feite de reservebank voor de franc worden. Daartegen heeft de Bundesbank zich altijd met succes verzet. Bovendien zou het betekenen dat Duitsland zijn streven naar Europese politieke integratie opgeeft. Connolly, zelf tegenstander van politiek federalisme, verwacht dat Kohl dit nooit zal accepteren. De Franse premier Juppé heeft een vroegtijdige koppeling van de franc aan de D-mark overigens verworpen.

De positie van de Bundesbank in Europa analyseert hij in psychologische termen. “De Bundesbank wil nooit het gevoel hebben de speelbal te zijn van Franse belangen of van de financiële markten”, zegt Connolly. Daarom kan Frankrijk zijn monetaire beleid binnen de huidige spelregels ook nooit versoepelen. Want als Frankrijk eenzijdig de rente verlaagt zodat de franc in koers zakt, dan zullen de Duitse exporteurs, die toch al steen en been klagen over de hardheid van de D-mark, meer druk op de Bundesbank uitoefenen om het Duitse monetaire beleid te versoepelen. Het belang van de Duitse exportindustrie om bescherming te krijgen tegen devaluaties op hun Europese afzetmarkten is volgens hem de economische drijfveer voor de Duitse bereidheid om een monetaire unie te vormen.

Connolly: “De Bundesbank voelt zich met recht de leider van de Europese monetaire politiek en men zal nooit tolereren dat men een Frans monetair besluit moet volgen.” Dit machtsconflict speelde ook in de zomer van 1993 toen de Bundesbank Frankrijk afstrafte omdat het de leidende rol in het EMS dacht te kunnen spelen. Het is voor Connolly een bewijs te meer dat de politieke overwegingen bij de besluitvorming een zelfstandig, nationaal monetaire beleid verhinderen.

Daarom heeft hij ook respect voor de positie van de Bundesbank. Schlesinger en Tietmeyer, de vorige en de huidige president van de Bundesbank, noemt hij “kolossale centrale bankiers”. Het verschil tussen beiden is dat Schlesinger zich meer gebonden achtte aan binnenlandse Duitse overwegingen en dat Tietmeyer nauwere politieke banden met de bondskanselier onderhoudt en een groter begrip heeft voor de gevolgen van Duitse monetaire besluiten voor andere landen, met name Frankrijk.

Connolly steunt de stellingname van Schlesinger: “Als je voor een D-markblok kiest, heeft dat minder politieke gevolgen en is het gemakkelijker om vast te houden aan de idealen van de gemeenschap. Als je Frankrijk in het D-markblok betrekt, dan kies je ook voor een politieke bovenbouw. Dan gebruik je de monetaire eenwording als instrument voor politieke eenwording.”

Bovendien, meent Connolly, is bij een D-markblok sprake van een optimal currency area. Dit is een begrip uit de economische theorie dat een gebied beschrijft waarin één munt optimaal functioneert. Gezien de verschillen in economische structuur en politieke cultuur tussen Frankrijk en Duitsland geldt dat niet voor een gebied dat de franc en de D-mark bestrijkt en al helemaal niet voor een EMU van de hele Europese Unie. “In Maastricht is het beginsel van een optimal currency area uit het raam gegooid. Men heeft toen om politieke redenen gedaan alsof je een monetaire unie van vijftien landen zou kunnen vormen. Dat was gedoemd te mislukken.”

Ondanks zijn eigen bezwaren verwacht Connolly dat er een monetaire unie van een kerngroep van landen zal komen. Daarbij baseert hij zich op het oordeel van de financiële futures markten, waarop de renteniveaus van de munten van de vermoedelijke EMU-landen in 1999 volledig naar elkaar toelopen. Hieruit valt af te leiden dat de financiële markten verwachten dat deze munten dan aan elkaar gekoppeld zullen worden.

Blijft het probleem hoe de politieke leiders met de criteria van het verdrag van Maastricht zullen omgaan, waarvan inmiddels duidelijk is dat ze niet op tijd gehaald door voldoende landen van gewicht zullen worden. Connolly verwacht dat de autoriteiten het komende anderhalf jaar geen enkele aankondiging van flexibiliteit of uitstel zullen doen, maar dat begin 1998 de criteria flexibel zullen worden geïnterpreteerd om de scheiding aan te brengen tussen de landen die wèl en die niet mogen meedoen.

Connolly: “De Economische en Monetaire Unie, bedoeld om Europa te verenigen, zal dan leiden tot nadelige economische gevolgen en fungeren als politieke splijtzwam.” *The rotten heart of Europe, The dirty war for Europe's money. Faber en Faber, London, 1995