Een reus boven de ruimte

Het Wereldnatuurfonds zou de zeearend graag willen herintroduceren in Nederland. Het gebied van de grote rivieren is daarvoor het meest geschikt. Maar het ministerie broedt nog op toestemming.

'Je hoort wel beweren dat zeearenden baby's uit kinderwagens roven', zegt de bioloog drs. W. Helmer, 'maar dat is pure nonsens. Een sprookje, net als de wolf en roodkapje. Er heerst in Nederland een misplaatst angstgevoel ten opzichte van grotere roofdieren. Ondanks het feit dat wolven, lynxen of arenden nooit menselijke slachtoffers maken, boezemen deze dieren meer angst in dan auto's, die dagelijks hun tol eisen.'

Helmer werkt voor de stichting Ark, die op haar beurt onderzoek op het gebied van natuur- en landschapsontwikkeling uitvoert voor het Wereldnatuurfonds (WNF). Deze organisaties, althans de Nederlandse afdeling daarvan, is de laatste jaren druk in de weer om waterrijke gebieden, speciaal het rivierenland en de Zeeuwse stromen, tot bloei te brengen ten gunste van flora, fauna èn recreant. Daarvan getuigt haar rapport Levende Rivieren (november 1992), dat voorziet in herstel van de historische nevengeulen langs Rijn, Waal, Maas en IJssel over een lengte van bijna 400 kilometer en terugkeer van de natuur in de uiterwaarden, waarbij de landbouw zich achter de dijken terugtrekt.

In deze filosofie past een wederinvoering of herintroductie van enkele verdwenen diersoorten, in het bijzonder de eland (een planteneter) en de zeearend. Zij zouden door doelbewust ingrijpen van de mens weer een vaste plaats moeten krijgen in en boven het vrije veld. In het geval van de zeearend heeft het WNF vergevorderde plannen voor een comeback als broedvogel, berustend op een uitvoerige studie van Helmer. De grootste roofvogel van Europa met een spanwijdte van ruim twee meter zou volgens het WNF vooral een symbolische functie kunnen vervullen doordat hij een uitgestrekt areaal bestrijkt en op die manier 'de onderlinge samenhang van Nederlands waterrijke natuurgebieden zichtbaar maakt'. De bedoeling is twintig à dertig jonge vogels, geboren in dierentuinen, uit te zetten in de Oostvaardersplassen (Flevoland) en de Gelderse Poort, een natuurgebied in wording achter Nijmegen. 'Onze verwachting', aldus Helmer, 'is dat wilde zeearenden uit bijvoorbeeld Polen en Scandinavië die in Nederland komen overwinteren, zich aan zo'n uitgezette vogel binden, een paar vormen en gaan broeden.'

Omdat het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij krachtens de Vogelwet toestemming voor uitvoering van het plan moet geven, is bij dat departement een officieel verzoek tot herintroductie ingediend. Maar een antwoord laat al geruime tijd op zich wachten. 'We hebben ons standpunt nog niet bepaald', aldus een woordvoerder van het ministerie. 'Onze deskundigen onderzoeken de mogelijkheden en stellen het Wereldnatuurfonds nadere vragen.'

De aarzeling laat zich verklaren door het omstreden karakter van dit uitzettingsproject. In de wereld van biologen en ecologen is niet ieder overtuigd van de wenselijkheid om de zeearend via een 'kunstgreep' terug te halen. De Raad voor de Natuurbescherming, adviescollege van de regering, bracht eind 1994 een negatief advies uit met als voornaamste argument: de zeearend zal zich spontaan in Nederland vestigen als hier geschikte broedgebieden met voldoende voedsel en de nodige rust aanwezig zijn. Het WNF zou het 'ecologich geduld' moeten opbrengen om zo'n natuurlijke kolonisatie af te wachten.

Er zijn er ook die ernstig betwijfelen of hier van herintroductie sprake zou zijn. De term veronderstelt immers dat de zeearend ooit in Nederland heeft gebroed, maar welbeschouwd zijn daarvoor geen sluitende bewijzen. De soort mag dan veelvuldig zijn aangetroffen in prehistorische opgravingen, vondsten van eieren of nesten staan nergens beschreven. Daartegenover stelt onderzoeker Helmer: 'Gezien het natuurlijke karakter van Nederland als vis- en vogelrijke delta is het zeer waarschijnlijk dat de zeearend tot voor enkele eeuwen in Nederland heeft gebroed, zoals dat ook in andere grote Europese rivierdelta's het geval was. Daarom is het terugbrengen van deze soort als broedvogel wel degelijk als herintroductie en niet als introductie te beschouwen.'

Conservatieve vogels

Over het 'ecologisch ongeduld' dat hem en het WNF wordt verweten, zegt Helmer: 'De kans dat zeearenden vanzelf komen, is bijzonder klein. Ze staan bekend als honkvaste, conservatieve vogels die bij voorkeur broeden in de omgeving waar ze geboren zijn. Ook de jonge zeearenden die elk jaar in klein aantal in Nederland worden waargenomen, komen hier alleen om te overwinteren. Ze keren stuk voor stuk naar hun geboortegrond terug om daar te broeden. Daar komt bij dat tussen Nederland en de dichtstbijzijnde broedgebieden langs de Elbe een agrarische cultuursteppe ligt, die ze niet snel zullen overbruggen.'

In het algemeen vindt Helmer dat Nederland over wederinvoering van verdwenen dieren veel te moeilijk doet: 'We signaleren een uitgesproken éénrichtingsverkeer: soorten gaan er makkelijker uit dan ze erin komen. Door bot menselijk handelen, door de jacht, door vergiftiging en vernieling van biotopen sterven hier regelmatig soorten uit. Zie de otter, de eland en ook de zeearend. Maar wie een soort wil terughalen, wordt belemmerd door een regiment van commissies en eindeloze symposia over de zin van herintroductie.'

De zeearend (Haliaeëtus albicilla) komt als broedvogel vanouds in diverse Europese landen voor, meest in Duitsland, Polen, Rusland, Zweden en Noorwegen. Eeuwenlang werd hij, net als andere grote predatoren als beer en wolf, zwaar vervolgd tot de stand omstreeks 1920 een absoluut dieptepunt bereikte. De eens bloeiende populatie zeearenden in Duitsland en Polen was geslonken tot circa twintig paar. De stand wist zich te herstellen nadat de vogel in de meeste Europese landen wettelijke bescherming had gekregen, maar later - in de jaren vijftig en zestig - vielen nieuwe klappen door illegale jacht en milieuvervuiling, vooral het massale gebruik van giftige bestrijdingsmiddelen, die zich via de voedselpiramide in zeearenden ophopen, en de lozing van zware metalen en polychloorbifenylen (PCB's). In sommige landen leek de soort ten dode opgeschreven. Een nieuwe opleving voltrok zich na een verbod op de gevaarlijkste pesticiden, onder andere DDT. Op het ogenblik wordt de totale Europese populatie zeearenden, inclusief die van Rusland en de Baltische staten, op zo'n 3.500 paren geschat.

Zeearenden voeden zich hoofdzakelijk met middelgrote vissen en watervogels, die in Nederland ruim voorradig zijn. 's Zomers is er een royaal aanbod aan brasem en karper, terwijl in de meeste wetlands grote aantallen eenden, meerkoeten en meeuwen verblijven. De huidige belasting aan pesticiden in Nederland hoeft volgens Helmer een terugkeer van de zeearend niet in de weg te staan. Anderzijds vormt de wijd verspreide watervervuiling door zware metalen en pcb's nog wel een probleem. 'Toch is ook hier geen reden voor pessimisme', meent Helmer, 'omdat de kwaliteit van onze belangrijkste rivier, de Rijn, jaarlijks verbetert. Diverse belangrijke waterorganismen zijn hierdoor al teruggekeerd.'

Open riool

Hij verwijst bovendien naar Oder en Elbe: 'Twee zwaar verontreinigde rivieren, waar de zeearend-populaties zich niettemin gestaag uitbreiden.' En naar de Wolga: 'Een open riool waar zware industrie en ruim zestig miljoen mensen hun afvalwater op lozen. Wat niet wegneemt dat honderden zeearenden met succes in ooibossen langs de Wolga broeden.'

Het dier bouwt zijn nest bij voorkeur in de nabijheid van vis- en vogelrijke wateren. In de Nederlandse wetlands waren broedbossen lange tijd een schaars goed, maar dat begint te veranderen. Helmer: 'Zowel bij de Oostvaardersplassen als in rivierenland komen sinds enkele decennia uitgestrekte wilgen- en populierenbossen tot ontwikkeling. Nu al zijn er voldoende van die bossen om een kleine populatie broedende zeearenden te huisvesten en in nabije toekomst zal de situatie nog sterk verbeteren. Zeearenden blijken trouwens ook in solitaire bomen, ja zelfs in hoogspanningsmasten tot broeden te komen. Een extra voordeel van deze roofvogel is dat hij in opeenvolgende jaren meerdere nesten bouwt. Omdat hij er maar één van gebruikt, zijn de andere beschikbaar voor zeldzame soorten als zwarte ooievaar en zwarte wouw.'

Stressbestendigheid

De grootste beperkingen waar het gaat om de realisering van geschikte broedplaatsen, zijn ruimte en rust. In rivierdelta's elders in Europa beschikken zeearenden over een leefgebied van enkele duizenden hectaren, terwijl vele tientallen tot enkele honderden hectaren rondom het nest uit praktisch ongerepte natuur bestaan. Tegen die achtergrond zouden er anno 1996 in Nederland slechts enkele zeearenden kunnen broeden in gebieden als de Oostvaardersplassen, de Biesbosch en de Gelderse Poort.

Maar volgens Helmer is die bottleneck in tweeërlei opzicht te omzeilen: 'Enerzijds maken we gebruik van jonge, in gevangenschap geboren arenden. Dit heeft als voordeel dat er geen aanslag op wilde populaties wordt gepleegd, terwijl de betrokken dieren al een zekere gewenning ten opzichte van mensen kennen. Anderzijds spelen we in op het natuurlijke vermogen van zeearenden om zich aan menselijke bedrijvigheid aan te passen. Ervaringen in de Wolgadelta en langs de Dnjepr hebben geleerd dat zoiets regelmatig gebeurt. In Noorwegen heeft de zeearend zich zelfs aangepast aan de activiteiten van de Noorse vissersvloot. Wellicht ook tekenend voor de stressbestendigheid van deze vogels is het relatieve gemak waarmee ze zich onder dierentuin-omstandigheden voortplanten.'

Bovendien zullen, als de plannen tenminste doorgaan, valkeniers worden ingeschakeld om de feitelijke herintroductie voor te bereiden: Helmer: 'Valkeniers zijn in staat deze dieren zodanig op te voeden, dat ze zich volledig als wilde arenden ontplooien, met dit verschil dat ze opgroeien in en dus ook wennen aan het moderne Nederlandse natuurlandschap. Een aanpassingsproces dat anders vele generaties in beslag zou nemen, wordt zo in één arend-generatie verwezenlijkt.'

Ook voor Helmer schuilt de grootste betekenis van de indrukwekkende vogel in zijn symbolische functie: 'Er kan een belangrijke wervende kracht van uitgaan, een ideale soort om als ambassadeur voor natuurontwikkeling te dienen. Omdat mensen zich nu eenmaal makkelijk met bevers en arenden identificeren dan met plankton, komen vraagstukken rond waterkwaliteit, ruimtegebrek en voedselaanbod op die manier dichter bij huis.'

Rijksoverheid en particuliere natuurorganisaties streven samen (al is er verschil van mening over het tempo) naar een verdubbeling van het areaal natuur in ons land: van 200.000 naar 400.000 hectare ofwel 10 procent van het totale oppervlak, waarmee Nederland zou voldoen aan internationale afspraken. Die drastische uitbreiding zou mogelijk zijn door boerenland dat buiten bedrijf raakt, successievelijk 'aan de natuur terug te geven'.

Helmer: 'De ruimte die ontstaat wanneer rond de wetlands 200.000 bunder landbouwgrond in natuurgebied verandert, vindt zo haar symbool in de arend, die door zijn leefwijze en actie-radius deze gebieden zichtbaar met elkaar verbindt. De manier waarop zeearenden door het jaar heen de verschillende delen van de delta bezoeken, sluit aan bij de schaal waarop natuurontwikkeling in Nederland dient plaats te vinden. Wil het tenminste een duurzame natuur zijn.'

Met zijn vleugelspanwijdte van meer dan twee meter is de zeearend de grootste Europese roofvogel. Ondanks zijn naam is hij niet aan zee gebonden. Hij leeft van middelgrote vissen en van watervogels.