Echte meesters (2)

In het artikel over Han van Meegeren schrijft Lucette ter Borg: “Hoe bestaat het dat men toen in deze hologige, houterige figuren met dikke stompe handen een echte Vermeer [...] zag?”

Inderdaad. Maar ik zou wel eens willen weten hoevelen zich niet zo enthousiast gedroegen en wie dat waren. Er is in elk geval één Nederlander van internationale faam geweest die zich publiekelijk gereserveerd betoonde ten aanzien van het chef-d'oeuvre in de reeks vervalsingen. Hij schreef: “Het klinkt misschien te boud wanneer ik meen dat Vermeer juist daar, waar hij een zeer bepaald gebeuren van de hoogste wijding in beeld brengt, n.l. in de Emmausgangers, naar mijn oordeel toch eigenlijk te kort schiet.” Het citaat is uit: Nederland's beschaving in de 17e eeuw. (Eerste publicatie in het Nederlands in 1941.) De schrijver: Johan Huizinga.

Merk overigens op hoe de voorzichtigheid waarmee hij zijn oordeel inkleedt, hem, de zo begaafde stilist, tot een lelijk pleonasme voert. (“Wanneer ik meen...naar mijn oordeel”). Dit pleonasme vooral verraadt hoe Huizinga zich gevoeld moet hebben toen hij een zó afwijkende visie op een beroemd doek van de grote Vermeer durfde op te schrijven.

    • J. Wagelaar