Duitse groei na een recessie dit voorjaar

BONN, 15 FEB. Het Duitse bruto nationaal inkomen zal de eerste helft van dit jaar in vergelijking met de eerste zes maanden van 1995 met een half procent afnemen. Dit voorspelt het Duitse Instituut voor economisch onderzoek (DIW) te Berlijn. In vergelijking met het laatste kwartaal van 1995 moet tot midden 1996 zelfs op een achteruitgang van één procent worden gerekend.

Het Duitse ministerie van economische zaken verwacht overigens dat de economie in de tweede helft van 1996 weer zó aantrekt dat de gemiddelde jaargroei op 1,5 procent uitkomt. De Bundesbank toonde zich vanmorgen in haar maandrapport niet pessimistisch.

Volgens het DIW belandt de Duitse economie dit voorjaar opnieuw in een recessie, want daarvan is naar geldende definities sprake bij twee opeenvolgende kwartalen met negatieve groei. Voor West-Duitsland voorziet het DIW tot komende zomer een daling van de groei met 1 procent, voor Oost-Duitsland een tot maar 3 procent afgezwakte groei. In zijn gisteren gepubliceerde prognose wijt het Berlijnse instituut, dat aan de vakbeweging gelieerd is, de verslechtering vooral aan de matige bouwconjunctuur, die zwaar lijdt onder het langdurig slechte weer.

Ook het achterblijven van de binnenlandse consumptie, onder meer wegens per 1 januari 1996 verhoogde sociale premies, en tegenvallende investeringen remmen de groei sterker dan vorig najaar was aangenomen. Het produktieniveau van de toeleveringsindustrie is nu al 3 procent lager dan in het eerste kwartaal van 1995. In terugblik corrigeert het DIW de groei over 1995 van 1,9 tot 1,8 procent, wat voor het BNI een nadelig verschil van 8 miljard mark en voor de Duitse fiscus een tegenvaller van 2 miljard betekent.

De Bundesbank toonde zich vanmorgen in haar maandrapport niet pessimistisch over de vooruitzichten voor dit jaar. De kansen voor een verdere groei zijn “niet ongunstig,” aldus de Bundesbank. Wel spreekt de bank in dit verband van een “onderbroken groei”. Het vertrouwen dat de Bundesbank tentoonspreidt stoelt onder meer op de groeiramingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. Deze internationale instelling voorziet voor de industrielanden voor dit jaar een groei van 2,5 procent en voor volgend jaar een groei van 3,0 procent.

Ook de krachtige impulsen die de “dynamische groeiende economieën” in Zuidoost-Azië en in Midden-en Oost-Europa uitstralen, zullen bijdragen tot groei in Duitsland. De handel met deze landen heeft zich de afgelopen jaren gunstig ontwikkeld. Vorig jaar bedroeg de export naar Midden- en Oost-Europa 8,5 procent van de totale Duitse uitvoer. Daarmee passeerde de export naar deze regio die naar de Verenigde Staten. Het aandeel van de snel groeiende landen in Zuidoost-Azië goeide tot 6 procent.

Positief voor de economie werkt de lagere koers van de mark waardoor Duitse produkten in het buitenland goedkoper worden, wat de vraag kan stimuleren. Dat geldt ook voor de stabiele prijzen en lage rente plus de “belangrijke koersbepalingen betreffende het economische en financiële beleid” van de regering van Duitsland, zo schrijft de Bundesbank.

De tegenvallende ontwikkelingen bij onze oosterburen in het afgelopen jaar vloeiden voor een deel voort uit de groeivertraging waarmee de belangrijkste handelspartners van Duitsland te kampen kregen. Daarbij ondervond Duitsland ook de gevolgen van de hoge koers van de mark die Duitse produkten in het buitenland duurder maken wat remmend kan werken op de vraag. Verder speelden ook de loonsverhogingen uit de jongste cao die mee, aldus de Bundesbank.