Dehaene, paars en de euro

Aangemoedigd door de Financial Times staat er vrijwel dagelijks iemand in Europa op om te vertellen dat de ene Europese munt, de euro, er waarschijnlijk niet zal komen. Premier Kok heeft tot nu toe weinig aandacht getoond voor dat gemeenschappelijke Europese spel van twijfel zaaien. Hij wil wachten tot begin 1998, als besloten moet worden welke landen in 1999 aan de Economische en Monetaire Unie kunnen deelnemen. Pas dan is hij bereid om te overwegen of invoering van de Europese munt enkele jaren moet worden uitgesteld. Dat zou het geval zijn als in 1998 slechts weinig landen klaar zijn voor de euro en het ernaar uitziet dat binnen enkele jaren veel meer landen hun financiën zover op orde hebben dat ze aan de Economische en Monetaire Unie kunnen meedoen.

Over verandering van de criteria waaraan landen moeten voldoen om de euro als munt te kunnen invoeren, wil Kok geen ogenblik denken. Hij is ook niet van plan om in de loop van de komende twee jaar over het tijdschema voor invoering van de euro te debatteren. Voor Kok komt de euro in 1998 aan de orde.

Dat betekent niet dat in Den Haag wordt aangenomen dat de Nederlandse regering zich kan permitteren zich tot 1998 helemaal niets aan te trekken van de bijna dagelijks verkondigde aarzelingen over de plannen voor de Europese munt. Desnoods zorgt de Belgische premier Dehaene er wel voor dat de Haagse rust wordt verstoord. Iedere keer als hij ontdekt dat een Nederlander de mogelijkheid heeft geopperd dat België in 1998 niet voor de Europese munt gekwalificeerd zal zijn, springt hij als een bok op de haverkist en belt hij persoonlijk naar premier Kok om te protesteren. Benelux eensgezindheid wil hij, en geen suggesties dat Nederland straks wel en België niet gereed zou kunnen zijn voor de euro. Het is een zaak van Belgisch prestige.

Nederlandse bankiers en ondernemers houden zich opvallend stil bij het vragenspel over wel of niet doorgaan van de euro. Een groot ondernemersgezelschap dat onlangs op uitnodiging van Siemens Nederland naar de voormalige Franse minister en ex-voorzitster van het Franse parlement Simone Veil luisterde, leek het zelfs niet te interesseren. Veil vroeg invoering van de Europese munt niet slechts als een financieel-technische zaak te zien, maar als een cruciale politieke stap op weg naar verdere Europese integratie. De ondernemers gingen er met geen woord op in. Achteraf bleek dat dat was omdat zij het Engels van de Fran¢aise niet hadden kunnen volgen.

Het beklemtonen van het belang van invoering van de Europese munt voor verdere Europese integratie wordt in Den Haag als niet ongevaarlijk gezien. Het kan koren op de molen zijn van VVD-ers die verdere integratie niet zin zitten. Om die reden wordt liever benadrukt dat de euro onmisbaar is als voltooing van de gemeenschappelijke markt. Maar desondanks kan de muntkwestie toch tot spanningen binnen de paarse coalitie gaan leiden.

Om aan de criteria voor deelname aan de Economische en Monetaire Unie te kunnen voldoen, zou Nederland de komende tijd de staatsschuld flink omlaag moeten brengen. Die staatsschuld zou met een aanvaardbaar tempo in de richting van de vastgestelde norm van maximaal 60 procent van het binnenlands produkt moeten zakken. Welk tempo aanvaardbaar is, is niet vastgesteld. Daarom blijft er de kans dat Nederlandse politici die niet zo hard voor Europa lopen, aandringen op lastenverlaging voor de burgers, wat ten koste gaat van de snelheid waarmee de staatsschuld omlaag kan. Die staatsschuld is op dit ogenblik meer dan 78 procent van het binnenlands produkt.

Er zijn nog meer redenen waarom premier Kok en minister Zalm van financiën de komende twee jaar niet achteroverleunend in een stoel zullen wachten tot ze in 1998 ontdekken hoe de zaken ervoor staan. Ze zien hoe de Haagse zorgen te verwaarlozen zijn tegenover die van Duitsland, dat grote problemen moet oplossen om de economie zo te kunnen aanpassen dat het in 1999 de euro kan invoeren. Ze hebben ook reden tot zorgen over Frankrijk, waar de regering weliswaar bezuinigingen doorzet maar waar tegelijk gesproken wordt over het financieel stimuleren van de werkgelegenheid.

Voor het probleem van de werkgelegenheid is de sociaal-democratische premier Kok ook niet ongevoelig. Daarom heeft hij er niets tegen om naast de Economische en Monetaire Unie, ook het streven naar volledige werkgelegenheid in het verdrag van de Europese Unie op te nemen. Zo'n verklaring kost geen geld. Kok weet dat de daadwerkelijke financiële stimulering van werkgelegenheid geen zaak van Brussel wordt, maar nationaal beleid blijft.

    • Ben van der Velden