De politieke partij is te redden

Hebben politieke partijen hun langste tijd gehad? Ze lijden onder gebrek aan belangstelling en verlies aan gewicht van het politieke bestuur. René Paas en Wim van de Donk vinden dat ze zich meer moeten richten op het maatschappelijke debat en minder op het politieke bestuur.

De definitieve verklaring voor het uitsterven van de dinosaurussen zal wel nooit worden gevonden. Was het een komeet? Gebrek aan voedsel? Een ijstijd? Een virus? De Jurassic Park-manie ligt alweer een dik jaar achter ons, maar de twijfel blijft. Zeker is dat zich op enig moment omstandigheden hebben voorgedaan die de bestaansvoorwaarden voor de dinosaurus in het hart raakten. De gevolgen bleven niet uit. Evolutie is geen pretje voor bedreigde diersoorten.

Politieke partijen zijn bedreigde diersoorten. Ze zijn opgericht om maatschappelijke doelen te bereiken. Zij ontlenen hun bestaansrecht aan de mate waarin ze er in slagen maatschappelijke opvattingen en behoeften te vertalen in concrete politiek. Hun succes hangt af van de wijze waarop ze in hun standpunten, verwoord door de door hen gerecruteerde volksvertegenwoordigers, weten aan te sluiten bij behoeften onder de bevolking. Verscheidene partijen maken in dat opzicht zware tijden door.

Een treffende illustratie vormt het inmiddels veelbesproken artikel van Bart Tromp in het januari-nummer van Socialisme en Democratie. Traditiegetrouw verschijnt zijn kritische beschouwing aan de vooravond van het congres van de PvdA. Tromp constateert dat er van de goede voornemens van het congres en van het voorzittersduo Vreeman en Rottenberg maar weinig is terechtgekomen. Hij illustreert dit met het uitblijven van een aantal veranderingen, maar betwijfeld mag worden of die veranderingen de kernproblemen van de PvdA kunnen verminderen.

De problemen binnen de Partij van de Arbeid lijken op de problemen waar de christen-democratie op dit moment mee worstelt. Bij de christen-democratie worden de problemen nog versterkt door de moeizame gewenning aan de oppositie. Op de een of andere manier blijkt het moeilijk om de juiste toon te treffen in de confrontatie met een kabinet dat voor een belangrijk deel beleid uitvoert waarvoor ook het CDA zou hebben getekend. Sinds 1994 heeft de partij geen saai moment meer gekend. Er is reden genoeg voor een stevige bezinning op het eigen functioneren en op de eigen uitstraling. Een bezinning die overigens op dit moment volop aan de gang is.

De PvdA en het CDA hebben een vergelijkbaar profiel. Beide zijn gebaseerd op vaste beginselen en maakten deel uit van de maatschappelijke 'zuil' met veel verwante organisaties en talloze leden. Politieke partijen stammen uit de tijd van de stoommachine en hebben deze lang overleefd. Ze groeiden na een aarzelende start uit tot machtige organisaties, gegroepeerd rond beproefde beginselen. Partijen werden de centrale bemiddelaars tussen de bevolking en de overheid. Zij stimuleerden de politieke belangstelling, voerden propaganda, selecteerden mensen voor politieke functies en stelden programma's op. Zij waren onmisbaar voor de emancipatie van katholieken, protestanten, socialisten en (in een verder verleden) liberalen. Die emancipatie is nu voltooid. De populariteit van politieke partijen daalt. Nauwelijks 1 procent van de bevolking is nog actief in een partij. Politieke partijen lijken daarmee onafwendbaar af te stevenen op een minder prominente inhoudelijke rol in het openbaar bestuur, ongeveer zoals ze ook zijn begonnen: als kiesverenigingen, baantjesmachines voor de overheid.

De problemen van politieke partijen worden pas volledig zichtbaar wanneer we daarbij de crisis in de vertegenwoordigende democratie betrekken. Welke betekenis heeft de parlementaire democratie nog anno 1996? Goede lobbyisten zijn zuinig met hun tijd. Wanneer ze tot zaken willen komen, hebben ze een voorkeur voor ambtenaren. De laatste jaren wordt veelvuldig aangedrongen op herstel van het 'primaat van de politiek'. Het 'strategisch beraad' van het CDA herhaalt die aanbeveling. De vraag is echter gerechtvaardigd of de roep om primaat eigenlijk wel een adequaat antwoord is op moderne ontwikkelingen. Want waaruit zou dat primaat moeten blijken?

Uit de agendavorming? Ooit waren volksvertegenwoordigers noodzakelijk om de regering op de hoogte te houden van wat er in hun gewest onder de bevoking leeft. Geleidelijk is de informatievoorziening zodanig verfijnd, dat de bureaucratie beter op de hoogte is van wat er onder de bevolking leeft dan de politici zelf. Het beleid wordt aangepast aan veranderde behoeften. Hebben volksvertegenwoordigers in dat proces meer te bieden dan mosterd na de maaltijd?

Uit beleidsontwikkeling en besluitvorming? Natuurlijk, veel beslissingen worden nog keurig genomen of bekrachtigd door vertegenwoordigde lichamen. Maar daaraan voorafgaand worden tussen ambtenaren en betrokkenen compromissen gesloten. Wie kritiek uit op onderdelen, neemt het risico dat hij een moeizaam bereikt akkoord onderuit haalt. De maatschappelijke democratie gaat niet alleen vooraf aan besluitvorming door het politiek bestuur, maar stelt haar voor een deel terzijde.

De uitvoering dan? Politiek primaat bij de uitvoering lijkt anno 1996 een gepasseerd station. In veel gevallen wordt de uitvoering 'op afstand gezet'. De opvatting dat de overheid voor de uitvoering van beleid een 'contract' sluit met een neutrale technische uitvoerder heeft in de afgelopen jaren veel steun gekregen. Niet in de laatste plaats van de uitvoerders zelf, als bescherming tegen de onbestendigheid van politici.

Natuurlijk, deze sombere schets is te nuanceren, maar de tendens is onmiskenbaar. Ging het bij het functieverlies voor het politieke bestuur nu alleen om een verschuiving in de verhouding tussen enerzijds bestuurders en anderzijds ambtenaren en participerende burgers, dan konden we desondanks spreken over een stevige rol voor het openbaar bestuur. Maar overheden krijgen steeds minder ruimte. Ze worden bijvoorbeeld gedwongen te concurreren op vestigingsvoorwaarden voor een steeds beweeglijker bedrijfsleven. De druk die dat oplevert voor beleidskeuzes over de omvang van de collectieve sector, de hoogte van belastingen en premies, bepaalt de bandbreedte van het politieke debat. Dit gebrek aan bewegingsruimte voor de nationale overheid kan er toe leiden dat de overheid belangrijke maatschappelijke problemen niet meer het hoofd kan bieden.

En zo constateren we een dubbel functieverlies: aan de ene kant bij politieke partijen, daarnaast bij het politiek bestuur. Een functieverlies met ernstige gevolgen, wanneer daardoor belangrijke maatschappelijke problemen niet langer worden aangepakt.

Het grappige is dat juist betrekkelijk traditionele partijen, die het vermogen hebben om in de samenleving ook op een andere manier te opereren dan uitsluitend door het selecteren van politieke vertegenwoordigers, in de toekomst een relatief sterke positie kunnen innemen. Opvattingen van partijen kunnen er toe doen, wanneer ze met kracht worden ingebracht in het maatschappelijke debat. Misschien vereist dat wel dat we het bestuurlijke 'primaat van de politiek' op belangrijke terreinen laten varen.

Voor partijen die hechten aan maatschappelijke invloed op het openbaar bestuur is de verschuiving van de politiek zelfs positief te waarderen. Moderne informatietechnologie biedt kansen voor het inrichten van politieke besluitvorming op een manier die dicht in de buurt komt van wat wij ideaal vinden. Politici worden in die benadering gewoon deelnemer aan en procesbegeleider van maatschappelijke discussies. Ze hoeven niet langer de schijn op te houden dat ze het maatschappelijke debat kunnen beslechten.

De discussie over het 'primaat van de politiek' vraagt om een verstandige en selectieve benadering. Functieverlies voor de vertegenwoordigende democratie is lang niet altijd erg. Het kan winst betekenen wanneer de maatschappelijke betrokkenheid bij politieke processen kan worden versterkt. Zijn we daarin in staat tot een genuanceerde en verstandige benadering en weten we nieuwe wegen te combineren met behoud van politieke inbreng?

Er resteert een levensgroot probleem: hoe houden we de maatschappij leefbaar terwijl we zien dat de overheid geleidelijk een steeds bescheidener rol speelt in het maatschappelijk debat. Wie springt er in het gat? Politieke partijen kunnen bij de oplossing van dat probleem alleen een rol spelen, wanneer ze in staat zijn gebruik te maken van andere mechanismen dan de vertegenwoordigde democratie. De politieke partij in de toekomst is tegelijk actor in en platform voor het maatschappelijk debat. Een levende politieke partij is in staat maatschappelijke krachten in zich te verenigen en daarmee in de samenleving zelf iets te bereiken. Leggen we dit uitgangspunt langs de bestaande politieke partijen, dan vallen drie interessante dingen op.

Allereerst dat de drie politieke hoofdstromen in Nederland zijn ontstaan als bewegingen die correcties wensten aan te brengen op maatschappelijke ontwikkelingen. Binnen het verband van de zuil werd vrijwel geen middel onbenut gelaten (kranten en omroepen, fanfares en huisvesting, toneel en scholen). De zuilen zijn grondig ontmanteld. Maar dat neemt niet weg dat er nog steeds maatschappelijke organisaties zijn die graag bereid zijn in het maatschappelijke debat een rol te spelen.

Daarnaast dat het bij uitstek de kracht van de christen-democratie is dat ze er consequent aan werkt - met haar eigen visie op de verantwoordelijke samenleving - het zelfordenende vermogen van de maatschappij te versterken. Juist het CDA kan zich onderscheiden met een eigen geluid in het maatschappelijke debat. Identiteit is in die context een voordeel.

Het derde opvallende punt is de stijl van communiceren. Dat is eerlijk gezegd een verbeterpuntje. Het CDA mag zich natuurlijk moralistisch opstellen. Het maatschappelijke debat is geen neutrale aangelegenheid. De partij mag ook over andere dan bestuurlijke kwesties een helder standpunt hebben. Maar voor wie een rol wil spelen in een maatschappelijk debat, is het van cruciaal belang dat hij goede ideeën goed verkoopt. Wie een beroep doet op maatschappelijke verantwoordelijkheden, moet ten koste van alles vermijden dat het cynisme in zijn presentatie de overhand krijgt. Er is niks mis met het tonen van idealisme, met concrete voorbeelden en heldere taal. Er is zelfs niks mis met de slopershamer (mits kundig gehanteerd), maar voor wie wil inspireren is vermoeidheid taboe. Het inspirerende van de bijeenkomst van afgelopen zaterdag was dat daar manifest werd hoeveel ruimte er binnen de christen-democratie is om op een andere manier politiek te bedrijven.

Er bestaat een groot verschil tussen dinosaurussen en politieke partijen. Politieke partijen kunnen tijdig de bakens verzetten en een benadering kiezen waarvan in een sterk veranderende context maatschappelijk effect mag worden verwacht. Het karakter van de christen-democratie maakt dat een aantal succesfactoren aanwezig is om in een sterk veranderende samenleving te kunnen functioneren. De vraag is alleen of de partij in staat en bereid is haar voordelen maximaal te benutten. Daarover ging het onder andere in Nijmegen. De kunst wordt nu om de bezinning op de toekomst om te zetten in concrete politieke actie. Een stevige partij gaat een confrontatie met de toekomst niet uit de weg.