De dienende rol van Prinses Carnaval

'Dansmarietje' mochten ze zijn, en als ze wat ouder werden mochten ze bier aandragen voor de mannen. Maar er tekent zich, net als in de 'echte' wereld, een kentering af: in verscheidene Zuidlimburgse gemeenten hebben vrouwen hun eigen carnavalsafdeling.

Een Limburgse carnavals-exegeet heeft eens gezegd dat het voor een Chinees gemakkelijker is dan voor een vrouw om prins Carnaval te worden. En een ander zei: “Een vrouw erbij vertroebelt de werksfeer.” Zoals de rooms-katholieke kerk zich nog altijd verzet tegen de vrouw als priester, zo verzetten de traditionele carnavalisten zich tegen de vrouw op het altaar van de Tempeleers, Jocussen en d'n Uul of hoe de namen van de carnavalsverenigingen ook mogen luiden. En beroepen zich daarbij op de traditie die zou bepalen dat vrouwen daarin nu eenmaal geen rol spelen. Waar ze die wijsheid vandaan halen, is niet duidelijk. Net zo min als ooit uit de mond van God de Heer danwel uit die van zijn Eniggeboren zoon kon worden opgetekend dat ze het priesterambt voorbehielden aan uitsluitend mannen.

Als er al sprake is van een begin van een doorbraak, dan spelen vrouwen een rol in de periferie. Als Dansmarietje ofwel huppelpupke, als prinses aan de zijde van haar man (of die van een ander), als naaister van de kostuums, als 'oud wijf' of als organisator van het kindercarnaval. Zelfs op plaatsen, waar ze wel een min of meer geslaagde greep naar de macht deden, blijven vrouwen hun dienende rol spelen. Zoals bij de vrouwencarnavalsvereniging de Spinneköpkes in het Limburgse Nieuwenhagen. “Het is heus niet zo dat de mannen die dagen de aardappels moeten schillen. Als we gaan hebben ze wèl hun middageten op.” Dat tekende Carla Wijers, wetenschappelijk medewerker van het P.J. Meertensinstituut voor dialectologie, op uit de mond van een lid van een vrouwencarnavalsvereniging in haar proefschrift Prinsen en clowns in het Limburgse narrenrijk.

“Carnaval”, aldus Wijers, “is een conservering van de bestaande sekseverhoudingen.” Het optreden van vrouwen heeft volgens haar dan ook niets te maken met “rituele rebellie”. Vrouwen die wèl doorstoten tot het Walhalla, moeten daaraan beslist geen pretenties ontlenen. Zoals een man in de Maastrichtse carnavalsorganisatie eens zei: “De prinses is alleen maar formeel en heeft dus geen eigen status.” Ook de vrouwen zelf kennen hun plaats. “We zijn”, aldus een vrouw in een andere vereniging, “geen Dolle Mina's, die zich van de mannen willen distantiëren. Neen, wij vinden het een uitdaging om het alleen te doen.”

Toch zijn er plaatsen waar de vrouwen zich in meer of mindere mate een structurele positie in het carnaval hebben verworven. Een voorbeeld daarvan is de Groenstraat, een wijk van het Zuid-Limburgse Ubach over Worms. Daar treden de Koetschen Grüskes op (koetsvrouwen). Volgens de overlevering heeft het verschijnsel wortels in de Franse tijd. In het aan de grens met Duitsland gelegen plaatsje moet in die dagen sprake zijn geweest van een levendige handel in haar om er pruiken van te maken. Op donderdag vóór carnaval kwamen de afnemers afrekenen. De mannen hadden dan veel geld. De vrouwen gingen vervolgens, verkleed als oude wijven, hun gangen na om te voorkomen dat zij al het geld verbrasten. In het eveneens Zuid-Limburgse Simpelveld hebben vrouwen in de carnavalsvereniging de Woeësj-Joepe (Worstjoepen) eigen organisaties zoals de Auwwieververeniging en de Dames-elvenraad. Tijdens de feestelijke bijeenkomsten mogen mannen, met uitzondering van de pastoor, alleen maar op de laatste rijen plaatsnemen. Vrouwen in het Noord-Limburgse Blerick hebben hun eigen Truujenavond (Truuj van de meisjennaam Trui of Gertrude). Een man wordt op die avonden niet getolereerd.

Als het juist is dat carnaval van katholieke oorsprong is, dan verklaart dat wellicht waarom de vrouw er in het georganiseerde carnaval zo bekaaid afkomt. De katholieke kerk, althans de institutionele, heeft van haar immers geen al te hoge muts op. En wellicht ook ontlenen mannen die de kunst van het carnavalvieren niet machtig zijn - en dat zijn heus niet alleen Hollanders - aan die ondergeschikte positie een vrijbrief om zich aan het vrouwelijk schoon te buiten te gaan, ook als dat schoon dat niet wil. Maar dat is een wel héél gewaagde veronderstelling, die overigens moet mogen. Want bijna over geen onderwerp wordt zoveel onzin gedebiteerd als over carnaval.

Geraadpleegde literatuur: Carla Wijers: Prinsen en clowns in het Limburgse narrenrijk, Theo Fransen en Gerrit Gommans: Alaaf, carnaval in Nederland en België. Gerrit Gommans: Vastelaovend in Bliërick.