Cholesterolgehalte dat steeds laag is vergroot kans op geweldsdood

De afgelopen jaren bestond een controverse over de vraag of mensen met een laag of verlaagd cholesterolgehalte een grotere kans lopen op een voortijdige dood door zelfmoord, moord of een ongeluk. Vorig jaar is in enkele grote onderzoeken naar de effecten van de moderne cholesterolverlagers (simvastatine en pravastatine) niets gebleken van de eerdere resultaten met oudere cholesterolverlagende middelen. Cholesterolverlaging met moderne middelen beïnvloedt de kans op een gewelddadige dood niet, is nu de conclusie.

Maar de groep patiënten met een van zichzelf laag cholesterolgehalte stond nog ter discussie. Ook daarin waren meer slchtoffers van geweld geteld. In die groep, is wel aangevoerd, bevinden zich een aantal mensen die kanker onder de leden hebben, dat nog niet weten, maar waarbij de ziekte al wel de cholesterolstofwisseling in de war heeft geschopt. En onder mensen met een uiteindelijk dodelijke ziekte, zo stelde de hypothese, is het aantal zelfmoorden en ongelukken ongetwijfeld verhoogd. Een andere hypothese was gebaseerd op de invloed van het cholesterolgehalte op de serotoninestofwisseling. Een laag cholesterol zou kunnen samenhangen met een lage beschikbaarheid van het aminozuur tryptofaan, waaruit serotonine wordt gemaakt. Serotonine is een belangrijk boodschappermolecuul. Een laag serotoninegehalte in de synaptische spleten in de hersenen hangt waarschijnlijk samen met depressies. In elk geval zorgen serotonine-heropnameremmers (Prozac en verwante middelen) ervoor dat een deel van de depressieve patiënten opknapt. Een laag serotoninegehalte is ook gemeten in het ruggemergvocht van zelfmoordenaars en gevangenen.

Paul Steegmans en collega-epidemiologen van de Erasmusuniversiteit hebben onderzocht of mensen met de laagste cholesterolgehaltes ook echt een lager tryptofaan- en serotoninegehalte hebben. Het werd gemeten bij 130 mannen met een cholesterolgehalte dat langdurig (in 1990 en in 1993) beneden de 4,5 mmol per liter lag en vergeleken met een even grote groep met voor Nederland normale cholesterolgehalten tussen de 6 en 7 mmol/l. De mannen met laag cholesterol bleken ook duidelijk verlaagde tryptofaan- en serotoninegehalten te hebben, vergeleken met de controlegroep met normaal cholesterolgehalte (British Medical Journal, 27 jan).

Hoewel het bestaan van niet-gediagnostiseerde ziekten niet geheel is uitgesloten, steunt het resultaat de serotoninehypothese. Dat mensen met de laagste cholesterolgehaltes een grotere kans op een gewelddadige dood hebben, bevestigde Steegmans in zijn proefschrift waarop hij in november promoveerde. Onder bijna 6.000 deelnemers aan een Zoetermeerse preventiestudie, waarvan tussen 1975 en 1987 gegevens werden bijgehouden, overleden er 22 aan een gewelddadige dood (10 zelfmoorden, 9 ongelukken, 1 ongeluk of zelfmoord, 1 moord, 1 onbekend). Voor mensen met een cholesterolgehalte lager dan 4,5 mmol/l was de kans op zijn gewelddadig einde ongeveer driemaal zo groot als voor mensen met een hoger cholesterolgehalte.