Amerika is kleinburgerlijk

De Amerikaanse socioloog Daniel Bell beschreef als eerste de culturele gespletenheid van het kapitalisme. Als het kapitalisme aanhoudt, voorspelt hij de terugkeer van de godsdienst. Twintig jaar na 'The Cultural Contradictions of Capitalism'.

De belangrijkste boeken van Daniel Bell, 'The End of Ideology' (1960), 'The Coming of Post-Industrial Society' (1973), 'The Cultural Contradictions of Capitalism' (1976), en de essaybundel 'The Winding Passage' (1980) zijn alle in druk.

Over de onaantastbaarheid van zijn reputatie hoeft de Amerikaan Daniel Bell zich geen zorgen te maken. Maar toch, als we het bij hem thuis in Boston over zijn boeken moeten hebben, kan hij het niet laten om met jongensachtige bravoure er eerst even op te wijzen dat twee van zijn titels op een lijst staan van honderd werken die het meest invloedrijk zijn geweest na de oorlog. De Times Literary Supplement publiceerde de lijst begin oktober. “Ik zal je een kopie geven”, zegt de 76-jarige socioloog, “De commisie die de lijst opstelde stond onder leiding van Ralf Dahrendorf, en ook de namen van de andere leden zul je waarschijnlijk wel kennen.”

De nestor van de Europese sociologie, Dahrendorf, en vertegenwoordigers uit andere disciplines als Garton Ash, Ignatieff en Kolakowski, hebben hun lijst in decennia gegroepeerd. Onder de boeken van de jaren zestig staat Bells The End of Ideology (1960) tussen Hannah Arendt, Isaiah Berlin en Camus. In het volgende decennium wordt Bell genoemd met zijn The Cultural Contradictions of Capitalism (1976).

Maar wat was precies hun invloed? “Sommige boeken zijn bekender vanwege hun titel dan om hun inhoud”, schreef Bell in 1988 bij de laatste editie van The End of Ideology. “Mijn boek is er een van.” Voor een belangrijk deel, zo legde hij achteraf uit, was het zijn bijdrage in de 'ideeënoorlog' van de jaren vijftig tussen aan de ene kant mensen als Sartre, Brecht en Lukács, en aan de andere kant Aron, Koestler, Camus, Orwell en hijzelf. Het was een verwerping van het stalinisme dat door sommigen vergoelijkt werd; het richtte zich tegen linkse ideologieën als 'opium voor de intellectuelen', zoals Aron al eerder had geschreven; en het sprak namens een generatie Amerikaanse intellectuelen die eerst zo links was geweest, maar het 'kwaad' had leren onderkennen en nu haar wijsheid zocht in 'pessimisme, tragedie en wanhoop'.

The End of Ideology keerde zich tegelijk tegen een wat ander soort ideologische overheersing: die van de Europese intellectuelen met hun kritiek op de 'massamaatschappij' met verschijnselen als 'atomisering' en verregaand conformisme - moderne barbarij die bij uitstek in Amerika te vinden zou zijn. Met een superieur vertoon van nuchter- en feitelijkheid bestreed Bell die algemene kwalificaties, en voerde veel kritiek terug op de aristocratische traditie van Europa tegenover de democratische van de VS.

Bell was in die Europese intellectuele traditie opgevoed. Hij studeerde in de eerste oorlogsjaren aan de Columbia University in New York, waar zich een groep vluchtelingen had genesteld - de Frankfurter Schule onder leiding van Horkheimer en Adorno.

“Er heerste daar een speciaal soort orde, die we hier niet zo kenden”, vertelt hij met satanisch genoegen. “Het was de orde van de hiërarchie. In seminars zag je het al aan de manier waarop ze rond de tafel zaten: Horkheimer aan het hoofd, dan Adorno, en zo verder aflopend tot aan een man die in de discussies uiteindelijk altijd de gebeten hond was.”

“Ik hou niet zo van de Frankfurter Schule. Ze hadden de neiging - typisch trouwens voor veel van het Duitse denken - om van alles direct ontologie te maken. Marcuse bijvoorbeeld - persoonlijk een heel aardige man, maar in zijn denken moeilijk te volgen: hij neemt een enkel verschijnsel en filosofeert meteen door naar het wezen van de dingen, in de meest abstracte termen. Het heeft met de taal te maken. In het Duits kun je de zaken zo keurig uit elkaar halen. Abgrund, Ungrund, Urgrund, alle begrippen zijn op te delen en te organiseren - je gaat dan het empirisme wantrouwen, want de werkelijkheid maakt overal een rommeltje van.”

“Engels is heel anders, je kan geen Engels spreken zonder duidelijk naar iets in de werkelijkheid te verwijzen. Het is een grillige taal. Dat ben ik me altijd bewust geweest, want het is niet mijn moedertaal. Emotioneel denk ik in het jiddisch, nog steeds. Ik heb altijd iets licht afstandelijks met het Engels gehad.”

Zestien jaar na the End of Ideology verscheen Bells tweede hoofdwerk, The Cultural Contradictions of Capitalism. Het is gebaseerd op het onderscheid tussen drie verschillende domeinen (realms) die door eigen principes geregeerd worden: de economie door efficiëntie, het staatsbestel (polity) op grond van gelijkheid tussen de burgers, en voor de cultuur is het zelfvervulling. “Die gespletenheid”, schreef Bell, “bepaalde de spanningen en sociale conflicten van de westerse samenleving in de laatste eeuw.” En voor de toekomst valt evenmin weinig goeds te verwachten. Het abstracte pessimisme van de Europeanen, dat hij eerder zo fel bestreed, leek in 1976 zijn levenshouding geworden - “de samenleving desintegreert.”

“Desintegratie is niet het sleutelbegrip”, zegt hij, “Mijn eerste stelling is de meest voor de hand liggende, namelijk de wezenlijke aard van het kapitalisme. Kapitalisme is verandering, verstoring, beroering. Iets kan goedkoper, beter, efficiënter. Niets is heilig. Niet de samenleving op zich, maar het kapitalisme verscheurt ons, en verandert de samenleving voortdurend. En iedere veranderende samenleving heeft iets nodig waarmee ze haar stabiliteit op den duur kan bewaren. Daar moet de cultuur dan voor zorgen.”

“Ik heb toen in de Contradictions geschreven dat ik een socialist ben wat de economie betreft - een communitarist zou je nu eerder zeggen. Maar op politiek gebied ben ik een individualist, een liberaal. En cultureel gezien noem ik me conservatief. Mensen hebben dat toen vaak als een polemische truc gezien, om me te verweren tegen beschuldigingen dat ik net als verschillende van mijn vrienden en generatiegenoten neo-conservatief was geworden. Maar ik meen het. Ik ben cultureel conservatief omdat ik denk dat in de cultuur een zeker gevoel van continuïteit benadrukt moet worden. Zeker als de economie intussen permanent alles ondersteboven haalt.”

De helft van Contradictions is een bittere aanklacht tegen de moderne cultuur. Het radicalisme van de jaren zestig, dat volgens sommigen zijn End of Ideology weerlegde, is volgens Bell niets anders dan een karikatuur van het verleden, een grove herhaling van “de jeugdige scherts van de Greenwich Village bohemia, vijftig jaar terug”.

De geschiedenis herhaalt zich, maar dan altijd als farce, zegt hij met Marx. Het modernisme dat zich telkens tegen het burgerlijk establishment keerde, op zoek naar nieuwe grenzen van het zelfbewustzijn, is nu “uitgeput - de spanning is er uit”. Het modernisme, dat “zijn macht ontleende aan de verafgoding van het zelf”, is uitgelopen op “hedonisme, plezier als een manier van leven”, dat de “culturele, zo niet de morele rechtvaardiging van kapitalisme” is geworden, schreef Bell enkele jaren voor Lasch' The Culture of Narcissism.

Ieder betekenis die zo aan het bestaan wordt gegeven zal een illusie blijken. Wat zou ons dan wel aan de werkelijkheid kunnen binden? “Ik waag een onmodieus antwoord”, schreef Bell: “de terugkeer in de westerse maatschappij van enigerlei vorm van godsdienst.”

Bells godsdienst is gegrondvest in traditie, in de continuïteit tussen generaties. Maar dat gaat slecht samen met zijn liberale aard, vindt Bell. Een liberaal zoekt universeel toepasbare ethische normen, en de moeilijkheid met zo'n ethiek is dat die “het bijzondere, het unieke - de diepe banden tussen vader en zoon of tussen individu en stam - in het universele doet oplossen”. En wie alleen het bijzondere zoekt, mist de banden met anderen, met andere kennis, andere overtuigingen. We zullen dus noodzakelijkerwijs moeten leven met die “pijnlijke dubbele binding”, en zo blijven we toch die “culturele zwervers, zonder een thuis om naar terug te keren”.

Uiteindelijk was u op alle fronten - economisch, politiek en cultureel - somber gestemd. Is er intussen iets ten goede gekeerd?

“Nee, het is erger geworden. Maar, ach, ik heb altijd gezegd: optimisme is een filosofie en pessimisme is een karaktereigenschap.”

Het is geen pessimisme, het is woede. Waarom?

“Omdat ik niet van kleinburgerlijkheid hou, en Amerika is een kleinburgerlijke samenleving.”

Maar het modernisme is anti-bourgeois. Dus waarom het modernisme aanvallen?

“Het modernisme heeft afgedaan, het is op, en de burgerlijke samenleving gaat verder haar gang. De geesteshouding van die samenleving is die van de Republikeinse leider Newt Gingrich - plat, kwaadaardig en jaloers. Het is de mentaliteit van de small town, de rancune tegen de kosmopolitische centra, tegen het liberale denken.” Het modernisme is dus niet langer tegen de burgerlijkheid opgewassen omdat het aan zichzelf te gronde is gegaan: het heeft met zijn verafgoding van het 'zelf' de traditie ondermijnd, de band tussen generaties vernietigd en de mensen ontworteld achtergelaten. Het modernisme dat tot hedonisme is verworden is nu stut en steun van de kleinburgerlijkheid. En degenen die zowel de traditie willen redden als het benauwde provincialisme willen bestrijden, worstelen met een dilemma: het is moeilijk het algemene met het bijzondere te combineren, het kosmopolitische met het lokale, of het intellect met de emotie. Het is volgens Bell het probleem van zijn generatie, die bekend staat als de joodse New York intellectuelen.

Ze waren arm, kinderen van immigranten, die hun kans kregen aan het New York City College. Het waren socialisten en scherpslijpers. “Aan het eind van de jaren dertig was ik al een oudstrijder van menige factiestrijd”, schreef Bell in The End of Ideology. Ideologische ontnuchtering volgde, en in de jaren vijftig behoorden ze tot hun eigen verbazing ineens tot het Amerikaanse intellectuele establishment. Ze waren toen liberaal geworden, en voor de meesten bleef het daar niet bij - die ontwikkelden zich tot 'neo-conservatief',zoals bijvoorbeeld Irving Kristol.

Het was familie, zegt Bell, compleet met heftige familieruzies. Niet iedereen vond het prettig gezelschap. Hannah Ahrendt - pas in de jaren dertig geïmmigreerd, maar, volgens Bell, direct als een van de elders beschouwd - vond ze tamelijk vervelend. Alleen 'Danny Bell' kon er nog net mee door, schreef ze ooit aan haar vriendin Mary McCarthy: “Hij is de enige met een geweten dat hem af en toe parten speelt. Hij is ook net iets intelligenter dan de rest.”

In zijn essay 'The “Intelligentsia” in American Society' (in de bundel The Winding Passage, 1980), geeft hij een overzicht van de groep, onderverdeeld in generaties en met zo veel namen dat de Amerikaanse naoorlogse intellectuele elite uit weinig anderen lijkt te bestaan. Het waren politieke radicalen die zich tegelijk ten diepste met de culturele avant garde verbonden voelden. Het hele westerse culturele erfgoed was het hunne - niet Amerikaans, niet joods, maar universeel. Als ze al een soort vaderland hadden dan was het Engeland - het land van goede manieren, duidelijke verhoudingen en culturele verfijning.

De hele (ideeën)wereld was van hen. In werkelijkheid waren ze buitengesloten. Voor joodse studenten bestond voor de oorlog een numerus clausus bij de belangrijke universiteiten. En als ze er afstudeerden, hoe brilliant ook, konden ze er geen werk krijgen.

“We hadden eerst de vreemdste baantjes”, vertelt Bell, “Kristol was machinist op een scheepswerf, Laski, die later Encounter redigeerde, was suppoost in het Vrijheidsbeeld, Greenberg, de latere kunstcriticus, werkte bij de douane. Ik ging de journalistiek in, net als veel anderen.”

Het persoonlijke was voor hen verdacht. 'Ideeën', daar ging het om. Dat kon niet goed gaan: na de oorlog, toen roem, status en geld ineens zeer bereikbaar bleken, kwam toch de geldingsdrang niet echt tot rust, net zo min als het gevoel van schuld en schaamte ten opzichte van het ouderlijk milieu. Na al dat universele zochten ze de weg terug naar het particuliere, schreef Bell, “ze verlangden ten diepste naar een thuis”.

'Thuis' was, en is, voor Bell het joods familieleven, in de Russisch-joodse traditie waarin hij is grootgebracht - hij is tenslotte geboren met de achternaam 'Bellatski'. En ook al kan hij het geloof der vaderen niet aanvaarden, hij kan nog iets redden door wel de herinnering aan die vaderen zelf levend te houden, schreef hij in 1961 ('Reflections on Jewish Identity'). Dat is dan weer een mijnenveld van sentimentaliteit en verburgerlijking, wierp hij zichzelf al schrijvend tegen. Het blijft tobben. “Wat rest is een stoïcijns gemoed.”

Er moeten paralellen zijn tussen het wedervaren van deze generatie en zo veel andere die in de twintigste eeuw sociaal mobiel werden, bijvoorbeeld die van de jaren zestig. Maar de socioloog Bell haalt de schouders op. “Ik spreek het niet tegen”, zegt hij peinzend, “maar ik kan alleen mezelf begrijpen. Voor mij is het allemaal terug te voeren op het probleem van twee verschillende talen. Intellectueel is het Engels, emotioneel val ik terug op Jiddisch. Jiddisch is heel interessant - het is een ouderwetse taal waarin geen verschil wordt gemaakt tussen maatschappelijk laag en hoog. Je zegt in het Jiddisch dingen die mensen in het Engels zouden shockeren. Engels is de taal van de beleefdheid, van goede manieren en intellectualisme. Moeilijk om je in die taal op je gemak te voelen. Dat vind ik tenminste.”

In Contradictions werden nieuwe boeken aangekondigd die de werking van de verschillende domeinen nader zouden uitwerken. Ze zijn er niet gekomen. Er liggen wel vijf manuscripten, vertelt hij - over kennisleer en over technologie. Maar hij heeft nog andere dingen aan zijn hoofd. Hij doet aan wat hij high class journalistiek zou willen noemen: een essay per maand voor een Japans tijdschrift, een stuk dat tevens in de Spaanse krant El Pais en de Italiaanse Unità verschijnt. “Ook om wat geld te verdienen - ik koop graag etsen en litho's.” In Japan verschijnen binnenkort twee boeken met essays. “Ik publiceer ze hier niet. Ik weet niet - omdat de toon wat anders is denk ik, maar evenzogoed, het zijn prima essays.”

Hij heeft zijn contacten bij Harvard, waar hij 25 jaar hoogleraar was. En hij bereist de wereld. Zojuist nog Japan. Een symposium, wat lezingen, een eredoctoraat - het gebruikelijke programma. “Ik voel me thuis in Japan. Niet omdat het zo'n fantastisch land is, maar omdat er plaats voor me is. Er zijn intellectuelen, academici - mensen zoals ikzelf. Het is een wereld van commissies, verenigingen, instituten, en die heb ik overal. Ik kan naar Frankrijk, daar heb ik veel copains - je suis le président de la société Tocqueville! Of naar Duitsland, met vrienden als Renate Mayntz en Jürgen Habermas en het Wissenschaftskolleg in Berlijn. We gaan er eens voor zitten, we praten wat, wisselen papers uit - dat soort dingen.”

“Beroepsorganisaties zijn het. Durkheim zag er al het belang van in - als een soort van gemeenschappen tussen het niveau van de familie en dat van de staat. Het zijn een soort enclaves. In India, Japan of Engeland, het maakt me niet uit. De meeste samenlevingen mogen dan beroerd in mekaar steken, er is toch altijd zo'n klein plaatsje waar je je thuis kan voelen.”

Samen met de familie de laatste bolwerken tegen de kleinburgerlijkheid.

“Jawel, maar ook een culturele stijl!” Met een tevreden grijns wijst hij op de Kiefer recht tegenover hem aan de muur, en naar andere kapitale kunst, verderop.