Aad Nuis weg uit Komrij's erehemel

De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten, samengesteld door Gerrit Komrij. Uitg. Bert Bakker, 1348 blz. Prijs: ƒ 55,- (geb.) en ƒ 30,- (pap.).

ROTTERDAM, 15 FEBR. In de nieuwe editie van Gerrit Komrij's De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten zijn meer dan 170, veelal jonge, dichters toegevoegd; slechts zeven zijn er afgevallen ten opzichte van de eerste druk uit 1979. Onder die laatsten bevinden zich Aad Nuis, in de eerste druk nog met twee gedichten vertegenwoordigd, en Henk Spaan, die in de eerste editie prijkte met één vers: 'De dichter dicht niet / maar opent verre verschieten / b.v. van tientallen vrouwen / met prachtige tieten'. “Dichters komen en gaan een beetje”, merkt Komrij zelf op in het voorwoord in de nieuwe versie van zijn standaardwerk, dat begin maart zal verschijnen.

De eerste druk van Komrij's bloemlezing was direct onderwerp van vele controverses, die werden veroorzaakt door Komrij's nadrukkelijk beleden eigenzinnige keuze. Het accent lag volgens de samensteller meer op “het vakmanschap, de smaak en het volwassen gezicht, dan op het stamelen, de vulgaire sentimenten en het simpeldom”. Dat had bijvoorbeeld tot gevolg dat 'Vijftigers' als Bert Schierbeek en Gerrit Kouwenaar sterk onderbedeeld waren - zij lieten dan ook in het voorwoord opnemen 'het niet eens te zijn met de door Komrij gemaakte keuze'. Komrij heeft zijn lijn in de nieuwe editie voortgezet. Daar is ook alle reden toe, want zijn bloemlezing is het afgelopen anderhalve decennium uitgegroeid tot de 'canon' van de Nederlandse en Vlaamse poëzie.

Ook in de nieuwe editie van 'Komrij' komen Kouwenaar en Schierbeek er bekaaid vanaf. Gerrit Kouwenaar, door Nederland meermalen voorgedragen als kandidaat voor de Nobelprijs, is slechts goed voor vier gedichten, Schierbeek houdt er twee. Hun generatiegenoot Remco Campert is daarentegen voor het eerst toegelaten tot de 'erehemel van Komrij', het selecte gezelschap van dichters dat het maximale aantal van tien gedichten is toebedeeld. Deze erehemel bestaat nu uit 28 dichters, waaronder bijna alle 'groten' van de Nederlandse poëzie, als Leopold, Achterberg, Slauerhoff, Bloem en Lucebert.

Pagina 7: Ruimte voor jonge dichters

Naast Campert heeft Komrij nog twee andere dichters in dat pantheon toegelaten: Hugo Claus en M. Vasalis. De enige die er de afgelopen 17 jaren uit verdween is Jacob Israel de Haan.

De forse uitbreiding van De Nederlandse poëzie heeft vooral tot gevolg gehad dat een groot aantal jonge dichters een plaats in 'Komrij's canon' heeft verworven. Zo zijn de 'Maximalen', de luidruchtige dichtersbent die in het midden van de jaren tachtig van zich liet spreken, redelijk vertegenwoordigd. Voorman Arthur Lava is opgenomen met vier gedichten, Pieter Boskma met vijf, maar hun collega's Dalstar en K. Michel slechts met één.

Wanneer het aantal verzen dat Komrij van een dichter heeft opgenomen, wordt aangehouden als indicatie van zijn belang, dan zijn Leonard Nolens en Toon Tellegen de belangrijkste nieuwe dichters van de afgelopen 17 jaar. Beide dichters, die in de eerste druk uit 1979 nog afwezig waren, zijn nu met acht verzen vertegenwoordigd. Andere belangrijke 'nieuwkomers' zijn volgens Komrij Jan Eijkelboom, Luuk Gruwez en Tom Lanoye (allen met zeven gedichten) en Stefaan van den Bremt, Eva Gerlach, Peter Ghyssaert, René Huigen en Nachoem M. Wijnberg, die allen, in vergelijking tot de eerste druk, met zes gedichten zijn opgenomen.

Het lijstje van afvallers is beduidend korter: R.A. Basart, Jan Blokker jr. Louis Ferron, Manuel Kneepkens, Aad Nuis, Peter Simpelaar en Henk Spaan. Opvallend genoeg stonden al deze dichters in Komrij's eerste editie op de laatste honderd bladzijden - de 'jongste' dichters van dat moment. Het lijkt dat zij hun belofte in de ogen van Komrij niet hebben waargemaakt.

Hoe grondig en eigenzinnig Komrij opnieuw te werk is gegaan blijkt niet alleen uit het grote aantal jonge dichters in de nieuwe bundel, maar ook uit de vele wijzigingen die hij heeft aangebracht bij de oudere generaties. Opnieuw heeft de samensteller een aantal tamelijk obscure, 'vergeten' gedichten opgegraven, waaronder een vers van Katharina Wilhelmina Bilderdijk, de echtgenote van Willem Bilderdijk, één van Edmond van Herendael (1841-1880) en vier van de onbekende dichter G.J. Dodd (1821-1888). Soms heeft Komrij zijn keuze ook drastisch herzien: zo werden van Gerard den Brabander zeven 'nieuwe' gedichten opgenomen in vergelijking met vorige keer, terwijl ook de keuze van J.A. Emmens, Hans Favery en vele anderen fors werd omgegooid.

Dat Komrij nog steeds een liefhebber is van 'luchtige' poëzie blijkt uit het feit dat Drs. P en Driek van Wissen hun entree in Komrij's canon maken. Daarom is zonder twijfel ook Rudi ter Haars 'De uitvinding van de romantiek' gehandhaafd: 'De zon gaat onder / Ik voel me bijzonder.' Van Elly de Waard - een van de controversieelste afwezigen in 1979 - is overigens nog steeds geen gedicht te bekennen.

    • Hans den Hartog Jager