Zaken van het volk

Reizigers uit de richting Utrecht of Hilversum waren er destijds zeker van dat ze de hoofdstad naderden als ze aan de horizon de contouren van een enorme burcht gewaar werden: het Academisch Medisch Centrum. Toen het in aanbouw was heeft het even een bijnaam gehad: de ziekenfabriek. Nu heet het AMC, een begrip en onmisbaar. Er zijn nog meer markante oriëntatiepunten: de 135 meter hoge Rembrandt Toren, de torens van de Bijlmer gevangenis, de uitgestrekte tentoonstellingshallen van de RAI en de betonnen communicatietoren met zijn collectie antennes en schotels. Stuk voor stuk eigentijdse bolwerken die door hun opmerkelijkheid wel als symbolen kunnen dienen voor wat het volk bezighoudt: de medische wetenschap en de zorg, de ondernemingszin van het zakenleven, de misdaad, het bouwen aan het imago en de televisie.

De afgelopen jaren is er nog zo'n burcht verrezen: de Arena voor alle sporten, een van de gedurfdste en - vind ik - ook meest geslaagde proeven van na-oorlogse architectuur, tevens sportfabriek waar men van Ajax' uitgekiende eindproduct kan gaan genieten. De bouw van de Arena heeft ongeveer 220 miljoen gulden gekost. Ongeveer de helft is betaald door de overheid, dat wil zeggen de burgerij, en de andere helft door zogenaamde founders, dat zijn banken, grote bedrijven en de voetbalclub Ajax die ook weer de huurder van het stadion is. Een even interessante als ingewikkelde constructie. Het publiek huurt daar zijn plaats, in de skybox of op de sta-tribune of iets wat zich tussen deze polen bevindt.

Nu wordt er gevoetbald. De televisie zendt de wedstrijd uit en betaalt daarvoor. Wie televisie heeft betaalt al kijkgeld. Hierna verschijnt de KNVB, sticht een eigen kanaal, verkoopt de rechten voor 1,04 miljard gulden, probeert de kabel ervoor te interesseren en wil van het publiek twee gulden per maand extra ontvangen. Dat is een extra heffing na de belasting die het al heeft betaald voor de bouw van het stadion, het toegangskaartje plus vermakelijkheidsbelasting, het voorrecht om naar de reclame van Philips en ABN/AMRO te kijken, het openbaar vervoer, politiebewaking, het trainen van politiehonden, het herstel van treinen en trams, en wat er verder bij het moderne voetbal komt kijken. De KNVB incasseert al 1,7 miljoen subsidie per jaar, ten behoeve van het amateurvoetbal waar de topspelers worden gekweekt die straks het publiek naar het stadion zullen lokken. Al met al zit het duivels slim in elkaar.

Wie er hierna nog een touw aan kan vastknopen, geen kabel heeft en niet zonder voetbal kan leven, begrijpt dat hij misschien een schotel moet kopen. Of zal de NOS een hoger bod uitbrengen waarvoor het geld ook ergens vandaan moet komen? In ieder geval is het de bedoeling van de KNVB dat, zoals de voorzitter verzekert, “het voetbal voor een zo groot en breed mogelijk publiek toegankelijk is”. In het hoofdartikel van eergisteren werd, ter verduidelijking van de voetbalbondmanoeuvre een vergelijking gemaakt met de techniek van de staatsgreep zoals die gezien wordt door Curzio Malaparte. Eerder moeten we bij het aanhoren van de voetbalvoorzitter denken aan de Nieuwspraak zoals die is ontworpen door George Orwell.

Geen liefhebber van voetbal zijnde, deel ik niet in de verontwaardiging. Maar deze machtsgreep in de wereld van televisie en voetbal is interessant zelfs voor mensen die een hekel hebben aan deze sport en vooral aan haar bijverschijnselen, en zelden naar de televisie kijken. Want hier wordt in al zijn beknoptheid en betrekkelijke overzichtelijkheid een actueel politiek-filosofisch dilemma gedramatiseerd.

Het voetbal heeft, sinds het van amateur tot beroeps werd gepromoveerd, zich hoe langer hoe meer volgens de wetten van de vrije markt gedragen. Vandaar dat de kapitalen die erin omgaan steeds groter zijn geworden terwijl de hiërarchie strenger werd. Voorzitters en trainers werden tycoons, spelers mensenmateriaal en koopwaar. En paradoxaal: het beroepsvoetbal is, ook door de televisie, tot een belangrijke publieke voorziening geworden, zoals het baseball in Amerika. Ervan afgezien dat men elkaar daar niet na een wedstrijd aftuigt, heeft deze sport er ongeveer dezelfde functie als het voetbal hier. Toen de spelers die meer van de inkomsten van de exploitanten wilden hebben dan laatstgenoemden wilden betalen, gingen staken, was het land in zak en as. Zelfs de president heeft zich ermee bemoeid. Over onze voetbalcrisis heeft de minister-president zich dan ook al uitgelaten.

Dat er zoveel geld in het bedrijf omgaat komt doordat het onderworpen is aan het mechanisme van de vrije markt; dat nu in alle lagen van de bevolking onrust is ontstaan over dreigende veranderingen wijst erop dat het voetballen als een publieke dienst kan worden beschouwd. Het dilemma wordt veroorzaakt doordat geen van onze politieke filosofieën hier een uitweg biedt.

Te oordelen naar wat we er op het ogenblik van weten, zal de vrije markt het gaan winnen, met twee gulden extra of nog meer zoals de geruchten willen, of met schotels èn met behoud van subsidies, of met een hoger bod van de NOS, en dit alles ten koste van de algemene toegankelijkheid tot een publieke dienst, of ten laste van een budget dat op deze manier beroofd wordt van fondsen die voor andere doelen waren bestemd. Het ligt in de geest van de tijd.

Verderop staat het AMC, waarvan het verplegende personeel werk doet dat tot het zwaarste en nuttigste van de natie hoort, voor een maandsalaris van omstreeks 3.500 gulden. Of zij baat zullen hebben bij de privatisering van de Ziektewet? Aan de andere kant staat de Bijlmerbajes die het werk niet aan kan. Moeten we de cellen privatiseren? Zegt onze intuïtie niet dat er iets wringt? Dat hetgeen wij als kiezers en bestuurden opbrengen beter kan worden uitgegeven dan aan de handel tussen een grote voetbalvereniging, de kabeltelevisiemanagers en wie daar verder over een vermaak aan het bedisselen zijn?

Wat de KNVB doet komt neer op een vroeg-kapitalistische uitbuiting van wat kennelijk een volksbehoefte is, en dit met gebruikmaking van overheidsgeld. Het gaat om het enorme bedrag dat nodig is om een bepaald soort vrije markt te laten functioneren, ten koste van een groot aantal mensen dat tot het fourneren van dat bedrag heeft bijgedragen. Wat denken van onze hedendaagse politieke filosofen de heren Kok en Bolkestein ervan? Zou het geen houvast bieden als ze zich duidelijk uitspraken over dit in wezen bevatbaar onderwerp, dat zich zo onmiskenbaar bevindt in het schemergebied tussen publieke voorziening, vermaak en vrije markt? Mij dunkt, een unieke kans.