Wissellijsten

Een gedicht ligt. Tenminste, als het gelezen wordt. Tenzij de lezer zelf ligt; dan verkeert het gedicht in verticale positie. Het kan natuurlijk ook als bundel in een kast staan, maar het gaat me hier om het opengeslagen, voorhanden gedicht: het gedicht in leespositie.

Een variant van het verticale gedicht die nieuw is, althans voor mij was dat zo, is momenteel te zien in het Amsterdams Stedelijk Museum. In een niet eens zo kleine ruimte worden daar enkele gedichten van Gerrit Kouwenaar geëxposeerd.

Geëxposeerd?

Wat valt er nou te exposeren aan gedichten? Goed dan: ze zijn geïnstalleerd door Kees Nieuwenhuijzen. Ze leveren een geheimzinnige ervaring op.

Hoe groot is de niet eens zo kleine ruimte waar de gedichten geëxposeerd worden? Die ruimte is er een precies ter grootte van de vier gedichten, zo moet de verrassende conclusie luiden. Hoe kan dat dan, sinds wanneer heeft een gedicht een volume? U moet zelf maar gaan kijken. Het is namelijk veel simpeler dan ik hier uiteen kan zetten.

Als het om de structuur van een ruimte gaat, is het oog namelijk een wonder. Het kan in een paar seconden zien wat in een pagina maar nauwelijks beschreven kan worden. Om van de betrekkelijke dulheid van zulke beschrijvingen maar te zwijgen. Het gaat allemaal over de ogenschijnlijke vanzelfsprekendheid; of liever, de welsprekendheid van een goed gebruikte ruimte.

De plaats in de ruimte van een gedicht is normaliter hoogst bescheiden. Het gedicht heeft lengte en breedte. Maar diepte? Hoe dik is papier nu helemaal? Wij zijn niet geneigd een gedicht te zien als iets met meer dan twee dimensies. Daarom heeft het iets ongedachts dat Kees Nieuwenhuijzen erin geslaagd is, de gedichten een akkoord te laten sluiten met de ruimte.

Het is een kleine vierkante zaal - maar hoog. Het wat gewelfde plafond van glas levert bovenlicht. Elders in het museum is die, aanzienlijke, hoogte grotendeels weggewerkt, door een als verlaagd plafond werkend strakgespannen wit gaas.

Deze hoogte blijft in het zaaltje met de vier Kouwenaars niet alleen intact, maar wordt juist sterk benadrukt. Wie binnenkomt, moet al na korte tijd omhoog met zijn blik. Want de vier pagina's met gedichten, steles zeg maar, zijn twee- à driemaal menshoog; en zoals dat nu eenmaal gaat met gedichten: ze beginnen bovenaan.

Ze staan vrij, althans zo vrij mogelijk. Ze hinderen elkaar niet. Je kunt maar één gedicht tegelijk goed zien. De manier waarop de gedichtensteles opgesteld staan, rijmt - maar uiterst onnadrukkelijk - op de X-vorm van de roeden van het bovenlicht.

Op nog een andere manier is door de vormgever gehoor gegeven aan de suggesties die de ruimte zelf al deed. De gedichten zijn precies zo hoog als de muren. Dit klinkt vanzelfsprekender dan het is. Want deze muren gaan via een welving over in de forse bovenruimte, in het centrum waarvan zich het bovenlicht bevindt. Hoe dan ook, de vier gedichten rijzen hoog op, dat is een ding wat zeker is. De lezer moet met zijn hoofd in de nek.

De gedichten hebben elk de vorm gekregen van een even opengeslagen boek. Men denke aan een rechthoekige driehoek, waarbij de kortste zijde, links, de titel bevat; en de hypotenusa, rechts, het gedicht. Dat dus hoog begint, niet ver van het bovenlicht; de lezer leest van hoog en verder weg naar laag en dichter bij, om ongeveer op ooghoogte te eindigen.

Het merkwaardige is dat de aldus geïnstalleerde gedichten de lezer klein maken zonder pompeusheid. Geen vormgeversvreugd, maar toppunt van eenvoud.

De vier gedichten willen per stuk gelezen worden. De lezer moet zich viermaal opnieuw opstellen, en elke keer, na een korte wandeling, negentig graden draaien.

Ik heb benadrukt hoe zeer de gedichten van Gerrit Kouwenaar door Kees Nieuwenhuijzen zijn opgenomen in de museale ruimte. Maar de gevonden vorm lijkt me sterk genoeg om op eigen benen te kunnen staan. Ik probeer het me voor te stellen: wat een schitterend klein stadsplein deze gedichten zouden kunnen vormen. Onder de blote hemel. Vier enigszins, zoals windrichtingen, van elkaar afgewende gedichten. Met in het nu nog lege centrum wellicht een heel bescheiden fonteintje. De gedichten van Kouwenaar zouden er, in staal of in steen, heel goed tegen kunnen. En wie weet zou het nog mooier zijn, zoals een medebezoeker opperde, wanneer er ergens in de stad, of in een bos, een soort van wissellijsten zouden staan, voor een viertal gedichten; duurzame wissellijsten, tweeëneenhalve keer menshoog.

    • Nicolaas Matsier