Vlinders en altaarstukken

Tentoonstelling: Ian J. Pieters, Retrospectief 1955-1995. Beelden en installaties. T/m 17 maart. Stedelijk Museum Schiedam, Hoogstraat 112, Schiedam. Di-za 11-17u. Zon- en feestdagen 12.30-17u. Catalogus: ƒ 30,- In dezelfde periode toont Moesman Beeldende Kunst, Lange Haven 50, Schiedam, werk van Pieters.

Wat moet een beeldhouwer die in brons giet met de wijsheid van Heraclitus dat 'alles stroomt'? Voor hem stroomt alles tot het moment dat zijn beeld is afgekoeld. Gestold brons is als een bevroren klok.

'Sculptuur staat voor statisch, zeer stabiel, zeer massief, zeer onveranderlijk. Zij lijkt voor ons een houvast, juist een symbool van verzet tegen Heraclitus' wet', schrijft de klassiek geschoolde Ian J. Pieters (1925, Rotterdam) in de catalogus bij zijn eigen retrospectieve tentoonstelling in het Stedelijk Museum Schiedam.

Pieters spreekt uit ervaring ofschoon hij, wat hij noemt, zijn 'bronzen tijdperk' al dertig jaar geleden heeft afgesloten. Na een periode waarvan op de tentoonstelling niets tastbaars is te zien, ontpopte hij zich begin jaren tachtig tot een meester in de lichtvoetige benadering van zwaarwichtige thema's, uitgevoerd in alledaagse, onartistieke materialen. Thema's als macht en het verstrijken van de tijd verbeeldt hij in installaties die soms aan altaarstukken doen denken. Hij maakt hiervoor veelvuldig gebruik van sokkels, lijstjes en hekjes. Pieters schept geen afstand tot de kijker, zoals dat bij echte altaren wel het geval is, maar nodigt hem uit mee te gaan in een stroom van associaties en symbolen, zoals vlinders, zware 'heilige' stoelen met laaghangende wolkvormen, ontluikende bloemen en crucifixen van gehalveerde wasknijpers.

Zijn vroegere bronzen sculpturen zijn wat opbouw en thematiek betreft veel eenvoudiger. Langgerekte, gracieuze mensfiguren die aan Giacometti doen denken, maar die het existentialistische magere en hongerige missen, gaan vooraf aan non-figuratieve bronzen met een spontaan, experimenteel karakter zoals zijn hommage aan de dichter Leopold die hij in 1959 maakte en die een vaste plaats heeft gekregen in de Rotterdamse Doelen.

Van zijn drie getoonde installaties, L'Horloge du Temps Perdu, De Tweede Droom en het Labarum van Keizer Constantijn en De Arrogantie van de Macht vormt de eerstgenoemde de meest heldere eenheid van vorm en inhoud. Een kinderportretje ligt op het voetstuk van een zuil, die qua vorm gelijkenis vertoont met een staande klok. Ter hoogte van waar normaliter een wijzerplaat zit, bevindt zich een diagonaal die aan een guillotine doet denken. Onder op de zuil is een vlinder neergestreken. De symboliek laat zich in dit geval wel wat makkelijk raden, waardoor er voor de kijker niet veel ruimte overblijft.

Pieters' beeldtaal is op zich helder, de inhoud sympathiek; menselijke thema's benadert hij lichtvoetig, intelligent en met een milde ironische ondertoon maar soms zou je willen dat hij zich wat minder op de vlakte houdt. Ook het gebruik van de metamorfose als symbool om de beelden te laten 'stromen' blijft iets academisch houden. Dat de beelden van Pieters hutje bij mutje staan opgesteld is overigens vreemd, als je ziet dat het museum de meest geschikte zaal voor beelden heeft bestemd voor een tijdelijke tentoonstelling van schilderijen.