'Van Traa legt opsporing te strikt vast'; Jurist Tak over bijzondere opsporing in het buitenland

Deze week verscheen het rapport 'Bijzondere opsporingsmethoden', over de regeling van opsporing in het buitenland. Volgens de jurist Tak, die het onderzoek leidde, moet Nederland een voorbeeld nemen aan Duitsland.

ROTTERDAM, 14 FEBR. Alle opsporingsmethoden zijn al eens ergens geprobeerd, stelt de Nijmeegse hoogleraar P.J.P. Tak. Zelfs de experimenten van Nederlandse rechercheurs met doorlating van drugs en burgerinfiltratie zijn in Europa niet uniek. Wel zijn andere landen, onder meer naar aanleiding van dergelijke experimenten, eerder begonnen de opsporing aan regels te binden. Volgens Tak moet Nederland die regels goed in het oog houden. “Onze wetgeving moet aansluiten op de buitenlandse. Internationale samenwerking is immers noodzakelijk bij de bestrijding van de criminaliteit.”

Tak, die zich sinds twintig jaar bezighoudt met rechtsvergelijkend onderzoek, is de hoofdauteur van een deze week verschenen rapport over bijzondere opsporingsmethoden in Duitsland, Italië, Frankrijk, Denemarken en Noorwegen. Hij vindt de regelgeving die de commissie-Van Traa voorstelt in haar rapport te streng vergeleken bij die in het buitenland. “Er moet goede controle komen, dat is belangrijk. Maar de opsporingsmethoden zelf moet je niet te gedetailleerd vastleggen, dan valt er niet mee te werken.”

Te precieze wetgeving heeft bijvoorbeeld in Denemarken tot problemen geleid. Sinds IRT-achtige incidenten in de jaren tachtig kent Denemarken uitvoerige procedures zoals voor de inzet van politie-infiltranten, pseudokoop en gecontroleerde aflevering van drugs. De Deense politie vindt de voorwaarden zo strikt dat de georganiseerde misdaad er niet mee te bestrijden valt. In Denemarken is nu een discussie gaande over versoepeling van de regels.

Doorlating van drugs (het laten verdwijnen van drugs op de markt) is nergens in Europa toegestaan, zo blijkt uit het rapport van Tak. Het Haarlemse politiekorps, dat doorlating op grote schaal toepaste, liep volgens Tak dus behoorlijk uit de Europese pas. Toch wijst hij doorlating niet a priori af, hoewel Nederland daarmee af zou wijken van het buitenland. “Ik vind dat het mogelijk moet zijn met kleine hoeveelheden, met toestemming van het OM en na uitvoerig overleg.”

Tak deelt daarmee het minderheidsstandpunt van de CDA'er Koekkoek, lid van de commissie-Van Traa. Deze wil doorlating van kleine hoeveelheden harddrugs toestaan als 'lijntester': om te kijken waar het heen gaat. Een algeheel verbod, zoals de commissie-Van Traa wil, zou de politie al te zeer aan banden leggen, denkt Tak. Om dezelfde reden moet een regeling voor doorlating volgens hem niet al te strikt zijn. “Je moet geen bepaald maximum gewicht noemen in de wet, want dan werkt het niet. Als je de grens op 200 gram stelt wordt die lijntester natuurlijk 220 gram. En als dat dan in beslag genomen wordt weten criminelen meteen waar ze aan toe zijn.”

Het Nederlandse recht biedt ruimte voor doorlating van drugs. Tak: “In Duitsland is het onmogelijk, omdat daar het legaliteitsbeginsel geldt: Alle strafbare feiten moeten worden vervolgd. In Nederland geldt het opportuniteitsbeginsel: Officieren van justitie mogen sommige dingen door de vingers zien.” Minister Sorgdrager van Justitie heeft zich eerder eveneens voorstander getoond van het onder voorwaarden toestaan van doorlating.

Nederland kan voor wetgeving inzake opsporingsmethoden het beste een voorbeeld nemen aan Duitsland, vindt Tak. Frankrijk is geen geschikt voorbeeld omdat in dat land wel erg weinig regels zijn vastgelegd. De controle op de opsporing draait in Frankrijk om de rechter-commissaris, die daarvoor grote bevoegdheden heeft. In Italië is een discussie over de toelaatbaarheid van methoden nooit van de grond gekomen. De bestrijding van de georganiseerde criminaliteit werd zo urgent geacht dat niemand behoefte had aan een debat over de methoden.

De Duitse wetgeving beschrijft volgens Tak systematisch de gevallen waarin van bijzondere opsporingsmethden gebruik mag worden gemaakt, de gronden waarop een regeling mag worden toegepast, de autoriteiten die bevoegd zijn om er opdracht toe te geven en de termijn waarbinnen het moet plaats hebben. Twee principes lopen als een rode draad door de Duitse wetgeving: proportionaliteit - “naarmate de inbreuk op de privacy zwaarder is moet het strafbare feit ernstiger zijn en de autoriteit die toestemming geeft hoger” - en subsidiariteit - “ als je kunt volstaan met een minder ingrijpend middel moet je dat middel kiezen”.

Deze principes zouden volgens Tak ook in de Nederlandse wetgeving kunnen worden opgenomen. Daarmee wil hij niet impliceren dat Nederland de Duitse regels moet overnemen. “Dat kan niet. Wij hebben een eigen systeem en moeten regels hebben die daarin passen.”

Volgens Tak legt de commissie-Van Traa te veel nadruk op strafvordering bij reeds gepleegde misdaden en heeft zij te weinig oog voor de voorkoming van ernstige strafbare feiten. Als deze eenzijdigheid zijn weerslag vindt in wetgeving ontstaat volgens Tak een groot verschil met de buitenlandse praktijk. “In het buitenland bestaat veel meer aandacht voor preventie. Het is ook een belangrijke politietaak om ernstige strafbare feiten te voorkomen. Criminele organisaties moet je zo vroeg mogelijk ontmantelen. Ook daarbij moeten bijzondere opsporingsmethoden kunnen worden gebruikt. Bij Van Traa komt dat ver achteraan.”

    • Joke Mat