Rapport over Britse wapens voor Irak zorgt voor ruzie

LONDEN, 14 FEBR. Het Britse parlement ruziet al dagen over een politieke tijdbom die morgen dreigt te exploderen. Eindelijk komt het Britse volk te weten wat de rol van de staat is geweest bij omstreden wapenleveranties aan Irak in de jaren tachtig. Het onderzoek dat rechter Richard Scott daarnaar ruim drie jaar lang heeft ingesteld wordt morgenmiddag openbaar.

Maar de regering heeft het rapport al een week tevoren ter inzage geëist om haar verdediging te kunnen voorbereiden. De oppositie moet tot morgen wachten voordat ze het 1.800 pagina's dikke verslag onder ogen krijgt. Het machtsmisbruik dat het regeringsoptreden bij de wapenhandel kenmerkt, strekt zich ook uit tot de behandeling van het Scott-rapport, vindt de oppositie. Een politieke tijdbom moet tijdig onklaar worden gemaakt.

De Britse premier, John Major, heeft in november 1992 zelf opdracht tot het onderzoek gegeven. Dat wordt hem door een aantal van zijn partijgenoten zwaar verweten. Ze klagen dat het rapport regering en ambtenaren alleen maar kan schaden. Niet alleen zullen kabinetsleden, voormalige bewindslieden en hooggeplaatste functionarissen van drie ministeries worden gehekeld. Daar valt nog mee te leven. Major heeft achter de schermen al verzekerd dat hij de roep om het bloed van zijn kabinetscollega's als een gladiator zal negeren. Daarbij rekent hij op een demonstratie van eenheid binnen zijn Conservatieve partij.

Maar de vrees van een aantal van zijn partijgenoten is groot dat het rapport ook meer fundamentele feilen van het staatsapparaat zal belichten. Het meest uitgebreide onderzoek dat in Groot-Brittannië ooit is gehouden naar de werking van de overheid, zou tot eenzelfde conclusie kunnen komen als The Economist twee jaar geleden. Dat weekblad noemde het “een lachertje dat bewindslieden verantwoording afleggen aan het parlement als het om wapenhandel gaat”.

Het rapport zou ook een andere stelling van het weekblad kunnen staven. “Hoewel ze een grote mate van openheid pretendeert is de Britse overheid één van de meest gesloten systemen in de ontwikkelde wereld”, schreef The Economist enkele weken geleden. “De hoeveelheid informatie die niet toegankelijk voor het publiek is, blijft gigantisch.” Groot-Brittannië kent geen wet op de openbaarheid van bestuur.

Vaststaat dat het rapport een weinig vleiend beeld schetst van het functioneren van de staat. De Britse regering heeft haar eigen regels voor de militaire export met voeten getreden. Bewindslieden hebben het parlement al dan niet bewust misleid. Ook hebben ze informatie verdonkeremaand die van doorslaggevende betekenis was in twee processen. Ambtenaren hebben geprobeerd om die twee rechtszaken te manipuleren. Overheidsdiensten hebben langs elkaar heen of elkaar tegengewerkt.

Een aantal bewindslieden en hooggeplaatste ambtenaren vreest dat de overheid na publicatie van het rapport nooit meer op de oude, vertrouwde manier zal kunnen opereren. Ze hebben het rapport bij voorbaat weggehoond. Samensteller Richard Scott schilderen ze af als een bezeten ijdeltuit die niet snapt hoe de overheid werkt. Wat kun je ook anders verwachten van een jurist die per fiets op zijn werk arriveert.

De campagne om het belang van het rapport te ondermijnen, wordt geleid door twee voormalige ministers van Buitenlandse Zaken, Lord Howe en Douglas Hurd. Al twee jaar geleden tijdens de openbare hoorzittingen van de onderzoekscommissie hekelde Howe de onrechtvaardige rechtsgang die de getuigen te weinig ruimte had gelaten. In het weekblad The Spectator betitelde hij Scott onlangs als “een inquisiteur”.

Zo luid werd het geschamper over 'dat waardeloze onderzoek', dat de rechter zich het afgelopen jaar tot twee keer toe geroepen voelde om zijn rapport bij voorbaat te verdedigen. Het verwijt dat hij onzorgvuldig en onrechtvaardig zou hebben gehandeld, noemde hij vorige week nog “ronduit bespottelijk”. “Mensen die deze kritiek hebben geuit kregen toch al geen kerstkaart van me, en ik ben ook niet van plan daarin verandering te brengen.” Of zijn onderzoek politieke consequenties zou krijgen, kon hem niks schelen. Dat was de verantwoordelijkheid van de regering, zei hij in vraaggesprekken met de BBC en Sky TV. Maar hij verlangde wel dat de aanbevelingen in zijn rapport serieus zouden worden genomen. Ze mochten niet door laster worden ondermijnd.

Major gaf ruim drie jaar geleden opdracht tot het onderzoek om het politieke rumoer te smoren dat was ontstaan na de ineenstorting van het proces tegen drie directeuren van de machinefabriek Matrix Churchill. De drie mannen werden beschuldigd van illegale export naar Irak. Maar tijdens het proces bleek dat president-directeur Paul Henderson voor de Britse veiligheidsdienst MI6 had gewerkt. De overheid had niet alleen geweten van de export, ze had er steeds mee ingestemd.

Die staatsrol zou nooit aan het licht zijn gekomen als Alan Clark, de voormalige staatssecretaris van Handel, zich niet vrijwillig als getuige had gemeld. Hij gaf toe dat hij als bewindsman “een economisch gebruik van de waarheid had gemaakt”. Dat Britse bedrijven alleen maar aan democratische landen wapens mochten slijten, vond hij schijnheilig. “Omdat er maar drie of vier landen in de wereld zijn waar de rechten van de mens worden geëerbiedigd.” Daar was Groot-Brittannië de aanvoerder van, naast Australië, Nieuw Zeeland en misschien Zweden.

Voor de rechter was die verklaring van Clarke voldoende reden om zich niets aan te trekken van de immuniteitsverklaringen die vier bewindslieden hadden getekend op advies van procureur-generaal Sir Nicholas Lyell. Drie van die vier maken nog altijd deel uit van de Britse regering: minister van Financiën Kenneth Clarke, minister van Buitenlandse Zaken Malcolm Rifkind en Michael Heseltine, de vice-premier. Hun zogeheten 'muilkorfbevelen' hadden moeten voorkomen dat een grote hoeveelheid ontlastend bewijsmateriaal in handen van de verdediging zou vallen. In het belang van de nationale veiligheid.

Eerder waren vier directeuren van de firma Ordtec ten onrechte voor illegale wapenhandel veroordeeld, stelde het Hooggerechtshof vorig jaar november vast. Bij dat proces had de rechter zich wel neergelegd bij de immuniteitsverklaringen van twee andere ministers. Inzage in de overheidsdossiers zou tot vrijspraak van de verdachten hebben geleid.

Tijdens het onderzoek van Scott kwam al naar voren dat drie staatssecretarissen eind 1988 de regels voor wapenexport naar Irak hadden versoepeld zonder het parlement te informeren. Verontruste parlementsleden kregen juist te horen dat het regeringsbeleid niet gewijzigd was. William Waldegrave, destijds staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, hield tijdens de openbare hoorzittingen vol dat hij het parlement niet had voorgelogen. Hij zei dat de oude exportregels onverkort gehandhaafd bleven. Alleen werden ze met meer flexibiliteit uitgelegd.

De oppositie vindt dat het Scott-rapport niet zonder consequenties mag blijven. Openbaarheid van bestuur moet goed worden geregeld. Bevoegdheden van ambtenaren en bewindslieden moeten beter worden vastgelegd. En de verantwoordelijke regeringsleden dienen op te stappen - William Waldegrave, tegenwoordig staatssecretaris van Financiën, en procureur Sir Nicholas Lyell voorop. Maar de Conservatieve regering is sinds vorige week woensdag al bezig zich te verdedigen tegen de conclusies van het Scott-rapport. De onderste steen over de wapenhandel met Irak mag boven komen zolang hij het kabinet maar niet raakt.

    • Dick Wittenberg