Pacino en De Niro samen in beeld

Heat. Regie: Michael Mann. Met: Al Pacino, Robert De Niro, Val Kilmer, John Voight, Tom Sizemore, Ted Levine, Ashley Judd, Diana Venora. In 30 theaters.

Ze zijn bijna even oud, en geboren New-Yorkers; ze spelen in vergelijkbare films en hadden allebei een belangrijke rol in The Godfather II. Maar tot aan de Amerikaanse première van het 'cops and robbers'-epos Heat, eind vorig jaar, waren Al Pacino en Robert De Niro nooit samen in één scène te zien.

In Heat van regisseur Michael Mann is Al Pacino de briljante, werkverslaafde politie-inspecteur Vincent Hanna; Robert De Niro speelt de supercrimineel Neil McCauley op wie hij als een moderne kapitein Ahab verbeten jaagt. De twee urban cowboys hebben veel gemeen: ze zijn beiden de beste in hun vak, en offeren welbewust hun privéleven op aan hun werk, hun roeping. “Bind je nergens aan,” zegt McCauley tegen een van zijn bendeleden, “opdat je in 15 minuten weg kunt komen if the heat turns round the corner.”

Twee filmuren duurt het voordat Hanna en McCauley (en dus Pacino en De Niro) elkaar treffen, in een diner langs een van de snelwegen rondom Los Angeles. Het is een onwerkelijke, maar zinderende scène. Met tussen hen in een fles tomatenketchup - symbool van het bloed dat ze zullen vergieten - praten ze over hun eenzame bestaan en geven ze blijk van wederzijdse bewondering. Niettemin eindigt de korte wapenstilstand met beider verzekering dat ze niet zullen aarzelen de ander te doden als het moment daar is.

Zowel Pacino als De Niro zijn geweldig, het is moeilijk te zeggen naar wie je het meest uitkijkt als ze even geen van beiden in beeld zijn. Pacino (“All I am is what I'm going after”) geeft zijn monomane politieman een perfecte dosis beminnelijkheid en beheerste agressie mee. De Niro is een zwijgzame gentleman met een strak gezicht en een angstaanjagende uitstraling, die heel natuurlijk verdwijnt wanneer hij samen is met de vereenzaamde schoonheid (Amy Brenneman) op wie hij - geheel tegen zijn principes - verliefd wordt. Ze worden gesecondeerd door een uitstekende cast, met onder meer Val Kilmer (The Doors) als crimineel in huwelijksproblemen en John Voight (Midnight Cowboy) als klusjesman van kwaaie zaken.

Het decor van Heat is Los Angeles, de 'City of Light' die door Michael Mann in beeld gebracht werd zoals Jim Morrison haar bezong in 'L.A. Woman': als een woest stadslandschap van goedkope hotels, drukke snelwegen, lege winkelcentra en eenzame zielen. Mann, die zich in zijn vorige film (The Last of the Mohicans) concentreerde op de strijd tussen proto-cowboys en indianen, maakte van L.A. een twintigste-eeuws frontier-gebied waarin moderne sheriffs en outlaws elkaar de controle bevechten over het asfalt en het neon. Heat doet aan niets zo denken als aan een western. De uitgesponnen klopjacht, de mannenvriendschappen, de shootouts, de romantiek van revolver en geweer - het is allemaal het idioom van de cowboyfilm. Het is dan ook onvermijdelijk dat de film eindigt met een showdown tussen Hanna en McCauley - niet in de hoofdstraat maar op het vliegveld van Los Angeles.

Ook al om het operatisch gefilmde geweld - een schietpartij na een mislukte bankoverval neemt een kwartier in beslag - zou je Heat kunnen omschrijven als The Wild Bunch van de jaren negentig. Maar er is een belangrijk verschil met het melancholieke frontier-epos van Sam Peckinpah. Heat is minder dwingend gecomponeerd en mist van tijd tot tijd de spanning die nodig is om een film van drie uur overrompelend te houden. Te veel scènes zijn aan de lange kant of gewoonweg overbodig. Ze leiden af van dat wat Heat tot meer maakt dan een gestileerde jagersfilm: de confrontatie tussen Pacino en De Niro.